Familie Sondorp

Geloofsoverdracht? Zinoverdracht? Zijnsoverdracht!

Ds. Otto Sondorp (61) in gesprek met Lesja (30), David (24) en Martijn (21). “Geen geloofsoverdracht in traditionele zin, wel een geloofsgeluid dat krachtig klinkt.”

Proloog

Eigenlijk heb je er geen erg in gehad, maar je bent wel 61 jaar. Maar u ziet er nog zo jong uit, zei laatst die vrouw van 73 in de kerk, zelf met een diep doorgroefd gelaat.

Geboren in de jaren vijftig dus, een post babyboomer. Een predikantsgezin, een vader die me op mijn 14e verliet in de dood. Groot verdriet, onbegrip, verlatenheid. Een warme moeder die alles deed om ons goed op te voeden in Den Haag, waar in de jaren zestig ook van alles bewoog. Maar de saaiheid van de ambtenarenstad overheerste, net als de dikke bontjassen in de Duinzichtkerk. Breedvoerige dominees en een echte juf (met knot!) in bijna driedelig mantelpak, die de kinderkerk deed tussen de oefenpoppen in ziekenhuis Bronovo. Later in de tienertijd was er elders in de stad een groep die bibliodrama uitprobeerde. Wat een bevrijding. Net als die vele diepe gesprekken over geloof en zijn in het jongerenwerk.

Thuis dan al zeker opgegroeid met De Verhalen uit dat Boek, maar ze leken net zo saai als de voorspelbaarheid en de pepermuntjesgeur in de kerk.

Na de middelbare school genoeg nieuwsgierig geworden, politiek actief, naar Amsterdam, op de flow van de tijd, eindelijk in de vrijheid van een bestaan op jezelf. Soms moeilijk, maar ook steeds weer boeiend. Geen kerk gezien in die tijd of het moest de Studentenekklesia zijn, waar liederen inderdaad (het klinkt nu zo cliché) echt kippenvel opriepen. Hier leeft iets, hier gebeurt iets, hier is het echt. Dat merk ik ook als ik uiteindelijk de ‘Amsterdamse School’ binnenwandel en De Verhalen ineens zo diep gaan en vooral onsaai zijn. Een wereld van Gein gaat open, een wereld van anders denken, en doen, zo anders dan ons lineair denken. En: Geloof heeft met lijf, leden, hart en ziel te maken.

Dan kom je in je werk terecht in de kerk op allerlei plekken, eerst zeker geen dominee, hoor. Later toch gekomen, na De Andere Verhalen zijn er van die pareltjes van gemeenschap en toch net zo saai vaak. Ergens diep gegrepen, bij je lurven, door, ja door Wie? En toch steeds wil je niet, je doet het niet en dan voor de bijl, met hart en ziel, lijf en leden. Gegrepen door Die geen Naam mag hebben. Maar intussen.

Nu, na meer dan dertig jaar in die Andere gemeenschap, diep de waarde ervan doorvoelend en doordenkend. En steeds weer: Die, die je erbij houdt, ook al zijn de wereld en de cultuur en al die buitenkerkelijke vrienden ook zo heerlijk. Misschien kan het alleen zo: in het gesprek daarmee, geloven en zijn.

Drie kinderen, als groot geschenk, met wie ik in gesprek ga Niet de eerste keer, maar toch: zo vaak gebeurt het niet dat we praten over zin, God, gemeenschap, leven na de dood. Mooie gesprekken, met een ieder apart. Hier samengevoegd in een verhaal.

Ik stel ze voor. Ze heten Lesja (30 jaar, dramadocent, actrice, regisseuse, eigen theatergezelschap voor kinderen), David (24 jaar, bijna master sociale wetenschappen) en Martijn (21 jaar, bijna bachelor bewegingswetenschappen).

Zin

Met de deur in huis: wat geeft jou zin in je leven?

David: “Wat mij voldoening en zin in het leven geeft, is iets willen bereiken, maar ook aan anderen en de samenleving willen bijdragen. Ik ervaar zin in mensen om me heen, in vriendschap, in blijdschap. Ik probeer te leven alsof iedere dag de laatste zou kunnen zijn, ook al weet ik dat de kans klein is dat dit zo zal zijn. Maar je weet maar nooit en het maakt je heel bewust van en betrokken op je omgeving.”

Lesja: “ Zin geven is het vermogen om me met mezelf en anderen te kunnen verbinden en lief te hebben. Om te leren, iedere dag weer, om te groeien. Om open te staan voor wat er op je pad komt.

Genieten (dit cliché is zo waar) van de kleine dingen, van familie, vrienden. En ik wil de wereld een stukje mooier maken, verrijken, in mijn werk maar ook privé is dat een grote drijfveer.

Ik merk wel dat naarmate je ouder wordt, je je soms afvraagt wat de zin van alles is, als je merkt dat alles steeds weer terugkomt, zich herhaalt: winter, lente, zomer enzovoort. Vriendschappen kunnen intens zijn en dan ineens op afstand. Mensen komen, mensen gaan.

Maar als je denkt: ik ben hier, alles herhaalt zich en dan is er uiteindelijk een dag dat ik doodga, dan kan je net zo goed niks gaan doen. Zo werkt het niet bij mij. Ik ga dan toch door omdat ik steeds weer nieuwe dingen aangereikt krijg, die mij verrassen. Dat is voor mij de kracht om het leven levendig te houden, dat je je blijft verbazen ondanks het feit dat je soms misschien voor een deel al weet wat er gaat gebeuren en dat je uiteindelijk toch ook gewoon doodgaat.

Zin zit voor mij ook in ‘iets neerzetten’, bijvoorbeeld in theater of in een proces met leerlingen. Niet om je ego groot te maken, maar om mensen zin te geven.

Zin kan voor mij dus ook heel klein zijn. Bijvoorbeeld voor iemand de deur openhouden of even iemand aankijken of toelachen. Zoiets. Vorig jaar liep ik ’s avonds rond kersttijd langs een huis met allemaal mooie lichtjes. Ik belde er aan om te zeggen dat ik de lichtjes zo mooi vond. Die vrouw was helemaal verbaasd en zei, wat ontzettend leuk dat je dat zegt.

Dat geeft me zin in mijn leven en dat geeft ook hoop. Om te zien en te zeggen dat iemand iets moois toevoegt aan het leven.“

Martijn: “Wat tot nog toe mijn leven zinvol maakt, is veel voldoening halen uit mijn studie. Ook, in mensen om me heen. Familie, mijn vriendin, vrienden. Daar word ik blij van. Als ik daaraan denk, kan ik er goed tegenaan. Wat me drijft is het plezier dat ik uit het leven haal. Ook in sport bijvoorbeeld.

Ik vraag me de laatste tijd wel eens af: wat heb ik nu eigenlijk bijgedragen aan de wereld om me heen? Ik denk dat ik dan vooral bij veel mensen een lach op hun gezicht getoverd heb. Misschien dat andere mensen door die lach ook weer zich beter voelen. Dat ze zelf zin hebben gekregen om te leven.

Natuurlijk is er ook een andere kant: wat mijn leven het meest zou schokken is als ik zou horen dat ik er morgen niet meer zou zijn. Niet voor mezelf, maar vooral voor de mensen om me heen. Angst voor de dood heb ik niet, maar misschien heeft dat ermee te maken dat ik nog heel jong ben en heel erg gezond. Als ik zou dood gaan, zou ik toch de laatste dagen zoveel mogelijk uit mijn leven willen halen. Dan zou ik niet bij de pakken neer willen zitten. Wat dat dan zou moeten zijn, weet ik echt niet. Ik leef heel erg in het nu, misschien soms wat teveel, maar ik laat wel op me afkomen allemaal. Ik zie wel. Ik leef bij de dag.“

Leven na dit leven

Een tweede grote steen in de gespreksvijver: is er volgens jou een leven na dit leven?

Lesja: “ We gaan natuurlijk allemaal een keer dood, dat staat vast. Ik heb wel voor mezelf bedacht dat als je dood bent, je dan nog wel ergens bent. Maar of die plek er ook echt is? Het is meer fantasie, een plaatje in mijn hoofd. Ik praat ook soms met mijn overleden oma’s in mijn hoofd. Ik denk dus dat mensen die dood zijn nog wel ergens zijn. Sommigen koppelen dat soort gedachten aan geloof. Ik zie het meer als hoopvolle gedachte. Dat zijn gedachten die het leven fijner maken.“

David: “Ik denk zelf dat mensen juist toch voortleven in het leven na dit leven, zolang mensen aan een overleden mens blijven denken. Misschien is dat ook wat er bedoeld wordt in de Bijbel, als het gaat om een hiernamaals, dat mensen zo dus blijven voortleven.”

Martijn: “Omdat er soms over wordt gesproken in je omgeving, heb ik er wel heel wat over nagedacht. Maar niemand kan je uiteraard vertellen wat er na je dood gebeurt. Ik zou niet willen zeggen dat er niets zou zijn, dat het allemaal over en uit is. Als ik denk dat er niks meer na mijn leven is, kan ik me dat eigenlijk helemaal niet voorstellen. Er moet toch wel iets zijn; het kan toch niet zo zijn, dat er ineens helemaal niks is. Over hoe het er uit zal zien heb ik geen duidelijk beeld. Het kan van alles zijn. Lachend: misschien iets met wolkjes, blauwe lucht, engelen, maar ik denk dat ik dat vooral van de televisie of van films heb.”

Geloven

Nog eentje: zie je jezelf eigenlijk als gelovig?

David: “Ja, ik beschouw mezelf wel als gelovig, maar dan niet in de traditionele zin. Ik weet ook niet hoe de definitie van geloof eigenlijk zou moeten zijn. Geloof is een ‘gereedschap’ maar ook een bron van waaruit je interactie hebt met mensen en waardoor je ook je eigen handelen laat sturen. Het is voor mij een soort set van overtuigingen, normen en waarden, die je in de loop van jaren hebt gevonden door interactie met mensen, door boeken waarmee je probeert de wereld te begrijpen om je heen, omdat je er met je verstand alleen niet komt. Maar om daar nou ‘God’ in te vullen, gaat me wel wat ver trouwens.

Bij dat woord God krijg ik het idee van een soort almachtige en eigenlijk ook altijd een man (lacht), die je precies opdraagt hoe je moet leven. Als je je God zo voorstelt, dan heb ik daar niets bij. Als je God ziet als een geest, die menselijke interactie op gang brengt en hoe wonderlijk dat eigenlijk kan zijn, dan geloof ik zeker in God. Je kunt dat tegenkomen als je bijvoorbeeld muziek hoort en er rillingen van over je lijf gaan. Maar ook als je met mensen samen bent en je je afvraagt waarom dat zoveel specialer is dan andere dingen. God treedt dan als het ware op als je in je leven op momenten stuit die op een of andere manier heel erg mooi zijn, terwijl je niet weet waarom. Je bent samen met mensen en opeens besef je: dat is geweldig wat hier gebeurt. Dan is God een soort van emotionele energie die optreedt in je omgeving en in jezelf, waar je geen rationele verklaring voor hebt.

Natuurlijk, je kunt de wetenschap erop loslaten: alles kan verklaard worden, mensen zijn sociale wezens. Toch is dat in zekere zin ook een geloof, omdat de theorie zichzelf vanuit een aantal vooronderstellingen bevestigd ziet. Het is niet het hele beeld van de werkelijkheid. Een groot deel ontgaat de wetenschap. Zodra je resultaten van wetenschap gaat interpreteren, krijg je met opvattingen, dus ook met geloof, te maken. En dan gaat het uiteindelijk om de vraag: hoe zie ik de mens en onze samenleving. Zijn ze een product van wat wij denken? Is een mens iemand die puur gericht is op overleving, op rationeel handelen? Of zien we de mens als een vredelievend persoon, die helemaal niet in eerste instantie streeft naar overleving, maar die uit is op saamhorigheid en geluk?”

Martijn: “Op dit moment speelt geloof in mijn leven geen enkele rol, maar ik vind het wel een heel interessant gegeven. Dat komt natuurlijk ook door het feit dat jij dominee bent. Ik vind het ook mooi dat mensen er zoveel troost en hoop uit kunnen halen. Maar voor mij is het op dit moment niet iets waar ik echt mee bezig ben. Het kan zijn dat als het wat minder meezit, het wel betekenis krijgt.”

Als ik met anderen over geloof praat, merk ik vaak dat ik er toch meer over weet dan anderen, ook door mijn opvoeding. De visies en de kennis die ik van jou heb meegekregen breng ik dan toch ook in. En dat vind ik dan ook heel interessant!

Ik heb eigenlijk geen beeld van God, ik heb dat denk ik van jou, toen je ooit vertelde dat we ons eigenlijk geen voorstelling kunnen en moeten maken van God. Ik heb, als ik daaraan denk, ook niet echt een persoon erbij in gedachten. Ik moet wel zeggen dat ik er eerder toe neig te zeggen dat er geen God is dan wel. Ik ben eigenlijk voor mezelf ook te jong om dat helemaal te ervaren en te hebben uitgelegd. Ik hou het voor nu nog even open.“

Lesja: “(onmiddellijk) Nee, ik beschouw mezelf niet echt als gelovig en soms vind ik dat heel jammer! Ik kan gezond jaloers zijn op mensen die hebben gekozen, dat ze ergens of in God geloven en daar dan steun in vinden. Dat het een rots in de branding voor ze is. Dan vraag ik mezelf af: zou ik dat zelf willen? Ja en nee….Ik heb zelf nog niet het geloof gevonden waar ik helemaal achter kan staan.

Ik kan mij denk ik op dit moment het meest vinden in het Boeddhisme, waar je een aantal handvatten krijgt maar waarin je vooral je eigen weg moet vinden.

Op sommige momenten als ik het niet meer weet of me ellendig of alleen voel, dan kan ik wel met het universum praten, daar zitten al die goden die mensen ooit hebben bedacht allemaal in. Dan kan ik daar iets aan vragen of aan vertellen. Ik heb ook een tijd gehad dat ik iedere dag voordat ik ging slapen bedankte voor wat er goed was gegaan op deze dag. Dan zeg ik: dank je wel god of universum. Het maakt voor mij dan ook niet zoveel uit hoe je het allemaal noemt.”

David: “Soms ben ik jaloers op gelovigen. Het biedt toch een mogelijkheid om om te gaan met de minder prettige dingen in het leven. Het geeft troost, zekerheid en oplossingen. Het lijkt me heerlijk om een houvast te hebben aan iets dat je gewoon aangereikt wordt zonder dat je daar zelf heel diep over moet nadenken.“

Lesja: “Op zondagochtend als ik ga sporten, fiets ik langs een kerk. Ik vind het altijd mooi en bijzonder om te zien dat al die verschillende mensen daar samenkomen. Dat ze met elkaar hebben afgesproken dat ze zondagochtend daar samenkomen. Ik denk misschien dat ik naar zoiets verlang: het geeft structuur, duidelijke afspraken in een wereld waar steeds van alles verandert. Maar goed, ik ga nu ook niet meteen iedere zondag naar de kerk….Dat heb ik trouwens altijd bij groepen. Ergens heb ik een onwijze behoefte ergens bij te horen maar aan de andere kant aarzel ik, want je komt dan ook in allerlei groepsprocessen en dynamieken terecht en dan denk ik vaak: laat maar. Het is geen angst, maar meer dat ik zie dat mensen ergens heel graag bij willen horen en er van alles voor willen doen, omdat ze aardig en lief gevonden willen worden. Daar heb ik soms geen zin in. Terwijl ik tegelijkertijd zie dat ik mezelf daar ook tekort aan doe door daar niet in mee te gaan.“

Facebook is wat dit aangaat voor mij absoluut geen alternatief. Het is een vage gemeenschap waarin er niet echt contact is. Mensen kunnen er ook gemakkelijk gekwetst worden en de weg kwijt raken. Juist omdat sociale processen zo zichtbaar zijn. Als je niet lekker in je vel zit, kan je daardoor nog dieper in de put raken, zonder dat iemand dat ziet of dat zich aantrekt. Het kan zo een vorm van zelfpijniging worden af en toe.”

Tussen generaties?

Een andere brandende vraag: wat kan de oudere generatie op het terrein van godsdienst en geloof eigenlijk van jongeren leren?

David: “Over het algemeen zijn ouderen wat behoudender als het aankomt op nieuwe ontwikkelingen. Als het over godsdienst en geloof gaat, zou de jongere generatie de oudere generatie kunnen leren dat er is meer is dan de wereld waarin zij leven. Een groot deel van hun leven wordt nog bepaald door de restanten van een verzuilde samenleving.

Wat ze zouden kunnen leren op het gebied van geloof en godsdienst is dat je nieuwsgierig moet blijven naar allerlei uitingen van jongeren en het dan niet direct afwijzen als niet passend of in het ergste geval ‘pervers’. Dus zonder oordeel.

Leren van jongeren gebeurt vermoedelijk sowieso al, gewoon omdat er al zoveel uitwisseling is, misschien moeten we wel afleren te denken in generaties en aparte contingenten. Als ouderen en jongeren bereid zijn naar elkaar te luisteren komt het goed en is het ook vruchtbaar. Natuurlijk is er een groot verschil tussen ouderen en jongeren in de gewenning aan omgang met technologie, die bij jongeren zoveel gemakkelijker verloopt als bij ouderen. Het gaat ook om snelheid in communicatie: het onderscheid tussen de tijd nemen voor een goed gesprek en alles in een kwartiertje afdoen.“

Martijn: “Ik denk dat alles heel snel verandert. De jongere generatie heeft niet meegemaakt wat jullie hebben doorgemaakt. Maar dat geldt ook andersom. Wij komen dingen tegen die voor jullie ondenkbaar zouden zijn. Ik denk dat jongeren beter kunnen anticiperen op deze tijd omdat ze niet anders weten. Wij kunnen beter omgaan met al die high tech ontwikkelingen, social media, beeldschermen. Dat is heel anders dan in de tijd toen jullie opgroeiden. En dan te bedenken dat dit er allemaal nog niet was toen ik nog heel jong was. Ik heb nog wel een beetje een overgangssituatie meegemaakt.

De wereld lijkt ook wat minder sociaal te worden, althans ‘face to face’. Laatst was ik ergens waar geen internet was. Iedereen van mijn generatie voelt dat als gemis. We hadden lekker gesport overdag en ’s avonds gingen we een biertje drinken. Bleek dat daar nu juist wel Wifi was. Dus, terwijl we gezellig met elkaar aan het praten waren, zag ik om me heen steeds meer mensen hun mobiel pakken om toch even te checken hoe het was met al die mensen met wie ze via mobiel contact hadden. Plotseling zat driekwart van alle aanwezigen met dat ding. Zonde vind ik dat dan. Ik denk wel dat de rechtstreekse ‘live’ ontmoeting langzamerhand voor een groot deel vervangen gaat worden door digitale communicatie. Natuurlijk komen mensen elkaar ook op een andere manier tegen.

Vroeger maakte je in de trein nog wel eens een praatje, maar dat gebeurt steeds minder omdat iedereen met dat mobieltje zit. Voor veel mensen zal het wel voordelen hebben, bijvoorbeeld dat je je minder eenzaam voelt. Maar ook: je zit in je eentje op je kamertje met die 400 vrienden op Facebook en je ziet niet echt iemand. Aan de andere kant is dat voor veel mensen toch een soort troost, anders zouden ze zich misschien wel heel erg alleen voelen.

Veel ouderen zijn wat behoudend, niet echt nieuwsgierig. Ik ben wel eens naar een preek geweest van jou en dat vond ik echt interessant, maar ik ben ook wel eens met kerst naar een mis geweest in Zuid-Limburg met een hele ouderwetse pastoor. En ik hoorde dat dat een kopie was van vorig jaar. Weinig enerverend. Dan begrijp ik wel waarom de jongere generatie afhaakt. Het raakt niet aan waar jongeren mee bezig zijn. Het is allemaal heel oubollig. Juist in een technologische wereld, waar heel veel jongeren in leven, zal je daar, als je jongeren wilt aanspreken, wel wat moeten gaan zoeken. Dat je daar minimaal voor open moet staan. Dus: wees nieuwsgierig en oordeel niet zo snel. Verdiep je echt in hun wereld.”

En omgekeerd? Kunnen jongeren leren van ouderen, als het gaat om godsdienst en geloof?

David: “Waar we zijn, waar we nu zijn als persoon: alles is voortgekomen uit de geschiedenis, ook wat betreft de gedachten. En dat alles heeft nu geleid tot die individualisering, waardoor geloofsopvattingen en spiritualiteit grondig zijn veranderd. Dat werkt ook zo bij mij. Geloof is voor mij een manier om het zelf en de omgeving te kunnen vatten. Belangrijk is dat geloof voor mij iets dynamisch is, het staat niet vast. Deze dynamiek wordt gestuurd door menselijke interactie en je persoonlijke interpretatie en verwerking daarvan, en staat dus niet los van interactie met de samenleving. Waarbij ouderen, met al hun levenservaring, in mijn situatie een grotere invloed hebben gehad (en nog hebben) dan bijvoorbeeld vrienden. En natuurlijk staat dat niet los van wat mensen vroeger hebben meegekregen en waar ze mee geleefd hebben. Je hebt wel keuzevrijheid, maar je bestaat toch altijd binnen een bepaald institutioneel kader. Bijvoorbeeld: de westerse denktrant bepaalt je in hoge mate. Ook dat is weer een resultaat van eeuwenlange processen en omgang met vragen van het leven. En natuurlijk beïnvloedt en bepaalt dat ook mijn denken.”

Lesja: “Ik vind die traditie wel heel spannend: om te kijken wat daar mogelijk is, omdat het allemaal mensen zijn die iets doen, wat ik ingewikkeld vind, namelijk ergens voor kiezen, soms los van het gegeven of ze er wel bewust voor hebben gekozen.

Je hebt wel eens gezegd dat je er ook mee geworsteld hebt en dat je aan veel in die traditie getwijfeld hebt, maar dat je er nu toch je weg in hebt gevonden en dat je er nu voor staat, met hart en ziel. Dan voel ik een onwijs gevoel van trots. Dat is heel helder. Dan denk ik: wat mooi dat iemand ergens voor gaat staan en gewoon zegt: ik kies hiervoor en daarbinnen doe ik mijn ‘eigen ding’. Ik ben er dan wel heel nieuwsgierig naar. Ik vind het een te interessant en bijzonder fenomeen om het zo maar van tafel te vegen.”

Martijn: “Ik vind het wel heel belangrijk om ook naar het verleden te kijken, zodat de slechtere dingen zich niet steeds weer herhalen. Natuurlijk kan je leren, bijvoorbeeld over wat er in de tweede wereldoorlog is gebeurd. Dat er nota bene een heel ras vermoord dreigde te worden. Ik heb daarover van alles opgestoken en zo is wat in het verleden speelde ook voor mij een leerproces voor nu geworden.“

Epiloog

Prachtige gesprekken stuk voor stuk. Ja, als je geloofsoverdracht opvat als de overdracht van het geloof zoals dat aan mij is geleerd, dan heeft die niet plaatsgevonden.

Maar als ik goed luister hoor ik onder de verhalen van mijn kinderen wel een geloofsgeluid dat fors klinkt: nieuwsgierig naar inhouden voorbij aan het alledaagse, achter wat we werkelijkheid noemen, er bewust van zijn dat jouw denken en doen ook relevant moeten zijn voor een ander en voor de samenleving. En, ook niet niks: het zou best wat kunnen zijn, dat geloof: goed dat het er is voor anderen en misschien voor mij, maar nu even niet.

Kortom: was er geloofsoverdracht in traditionele zin? Nee, maar zinsoverdracht zeker of liever zijnsoverdracht. Laat de Geest dan maar de rest doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.