Familie van der Waals

Vier kinderen, vier wegen

Journalist en publicist Daan van der Waals (70) gaat met zijn kinderen Jochem (40), Maarten (37), Judith (35) en Daniël (24) in gesprek over de ‘doorgaande lijn’ van hun christelijke opvoeding. Een gesprek over geloof en leven, waar je God kunt vinden, het cultuurbepaalde van godsdiensten, beroepskeuze en rol in de samenleving, de kerk als geloofsgemeenschap, godsdienstige opvoeding en de waarde van dagelijkse meditaties. Voorafgaande briefwisseling is in het gespreksverslag verwerkt.

Een gesprek als dit voeren we nooit, maar – zegt Jochem – het is wel bijzonder om dit een keer te doen en met elkaar te praten over de diepere dingen des levens. We hebben het voorbereid door elkaar brieven te sturen. Op een brief van mij kwamen heel mooie brieven terug. Wisselend van lengte, zeker ook wisselend van onderwerp en insteek, en de mate van betrokkenheid bij wat we dan maar ‘de christelijke traditie’ noemen verschilt. Wat hebben ze overgehouden aan hun christelijke opvoeding? Hebben ze er dingen aan toegevoegd, ermee gebroken, er andere oriëntaties voor in de plaats gesteld?

Christelijke opvoeding

Jochem: “Ik vind het prettig dat jullie ons het geloof hebben meegegeven op een ruimdenkende manier, zonder dogma’s en verplichtingen. Uiteindelijk konden we zelf onze keuzes maken en bepalen wat we wel of niet wilden geloven; en een andere manier is er uiteindelijk ook niet. Van het beklemmende soort geloof dat in bepaalde christelijke kringen bestaat is bij jullie niets te vinden.”

Judith: “Het was niet alleen door kerkbezoek, ook op andere manieren hebben jullie ons in een bepaalde geest opgevoed. Ik hoor mama ’s ochtends nog Dank u voor deze nieuwe morgen zingen, als ze de gordijnen opendeed. Voorafgaande aan de maaltijd werd er gebeden om stil te staan bij gebeurtenissen. Het is goed om stil te staan bij gebeurtenissen in onze familie, bij vrienden, in het dorp of in het land en er niet aan voorbij te gaan.”

Jochem weer: “Het zal er vast aan bijgedragen hebben dat ik op vakantie graag een kerk binnenstap, om te kijken naar het gebouw en de kunstwerken, maar ook om de sfeer te proeven. Christelijke waarden zoals naastenliefde, zorgen voor elkaar en zorgen voor de aarde spreken mij aan. Maar ook het idee dat je dankbaar kunt zijn voor wat je hebt, zoals eten en een dak boven je hoofd, en het niet als vanzelfsprekend ziet. Uit de gelijkenissen in de Bijbel is veel levenswijsheid te halen: de talenten, de vijf broden en twee vissen, de verloren zoon, de Barmhartige Samaritaan et cetera.”

Maarten: “Ik zou niet zonder de muziek kunnen en ook niet zonder het geloof. Ik geloof in Gods liefde, Gods licht en Gods vrede en de gemeente van Maartensdijk en Hollandsche Rading ervaar ik als een warme gemeente. Ik deel jouw mening dat we God dankbaar mogen zijn voor het goede dat we in het leven mogen ontvangen, voor Gods zegen en indien dat nodig is een zekere steun. Ook zie ik een relatie met de medemens veraf en dichtbij, waarbij hoop en naastenliefde een belangrijke rol spelen. In de betrokkenheid tot elkaar spelen aandacht en zorg een belangrijke rol. Wanneer het leven moeilijk is, kunnen we elkaar tot steun zijn.”

Daniël tot slot: “Ik heb vroeger vaak het gevoel gehad dat wij als gezin op de een of andere manier anders waren dan mijn klasgenoten en hun ouders. Wat gevoeliger en tevens wat ‘serieuzer’ misschien, hoewel ik niet meteen zou weten waar dat serieuze dan betrekking op heeft. Misschien op leven volgens bepaalde normen en waarden, of duidelijker regels in wat wel of niet kan in de omgang met anderen. Christelijke normen en waarden, zoals anderen met respect behandelen, vind ik mooi, en ik vind het ook mooi dat geloof steun biedt aan mensen die dat nodig hebben en dat geloof mensen bij elkaar brengt en stimuleert tot weldoen.“

God in de natuur

Maarten schreef in zijn brief dat hij gelooft in Gods liefde, licht en vrede. Mijn vraag aan hem is wat hij daarmee bedoelt. Waar zie je Gods liefde, licht en vrede?

Maarten: “In de natuur, de schepping, het zonlicht, de Aarde, de bomen. Dat kan ik ook duidelijk maken met een gedicht van William Wordsworth:

My heart leaps up when I behold
A rainbow in the sky
So was it when my life began
So is it now I am a man
So be it when I shall grow old
Or let me die
The Child is father of the man
And I could wish my days to be
Bound each to each by natural piety.

Ik word blij van de regenboog en ik zie dat er in de natuur een devotie is, die zich kenmerkt door de samenhang die er is. Je kunt zien dat achter de natuur een Schepper aanwezig is.”

Zou het?

Jochem gelooft daar niet erg in. Hij ziet het grootse van de natuur. “De natuur is niet gewoon.” Ze is vernuftig geconstrueerd. Een wonder, zeker. Maar dat wil nog niet zeggen dat hij er een Schepper, een Ontwerper achter vermoedt. De mystieke beleving van Maarten is hem vreemd. Dat zal ermee samenhangen dat Jochem geen directe Godservaring kent. Hij zou zichzelf ook niet voor honderd procent christen willen noemen.

Jochem schreef: “Een religieuze ervaring van yes, dit is het heb ik nooit gehad. Ik heb moeite om alles uit de Bijbel letterlijk te geloven: kan iemand werkelijk uit de dood opstaan? Of moet je dat ‘symbolisch’ zien? Maar als je dit soort fundamentele zaken alleen maar ‘symbolisch’ gelooft, wat geloof je dan eigenlijk nog? In de praktijk van alledag speelt het geloof eerlijk gezegd voor mij niet zo’n grote rol.

Daarbij komt dat ik sterk relativerend aankijk tegen godsdiensten. Godsdienst is cultureel bepaald. Als de geschiedenis anders was gelopen, waren we in West-Europa allemaal moslim geweest. Elders op de wereld geloven mensen andere dingen. En waarom zou de ene godsdienst het bij het rechte eind hebben en de andere niet? Niemand heeft de waarheid in pacht. Tegelijkertijd zie ik ook wel de overeenkomsten tussen godsdiensten zoals het Jodendom, de Islam en het Christendom: het gaat om dezelfde God. Het zou heel wat helpen als mensen in bepaalde brandhaarden op de wereld zich dat zouden realiseren.”

Geloof en leven

Maar als je een waarheidsclaim van het Christendom en van de Bijbel afwijst, wat houd je dan nog over? Voor Jochem is dat toch tamelijk veel. Normen en waarden werden al genoemd, een manier van in het leven staan, die toch op zijn minst mede door het Christendom is bepaald.

Uit zijn brief: “Zoals gezegd vind ik bepaalde waarden belangrijk, zoals de zorg voor ‘zwakke’ belangen in de samenleving, sociale rechtvaardigheid en zorg voor de natuur. Daarom zou ik ook niet snel in een bedrijf willen werken waar het alleen om de winst gaat. Wat ik daarvan moet terugvoeren op mijn christelijke opvoeding en achtergrond is achteraf natuurlijk moeilijk te zeggen. Wat maakt dat je iets belangrijk vindt? Ik weet het niet. Ook vanuit andere tradities en denkwerelden kun je je bekommeren om sociale problemen of om het milieu. Tegelijkertijd zie ik christelijke politieke partijen bepaald niet kiezen voor de – in mijn ogen – meest ‘duurzame’ of sociale standpunten.”

In mijn eigen brief had ik die samenhang van geloof en leven al naar voren gebracht:

“Is geloof een apart segment, waar je al dan niet iets aan kan doen? Met toch al heel gauw de link naar de kerk en de vraag of die kerk jullie al dan niet iets zegt. Ja, ik zie ook wel dat dit bij jullie verschilt. Maarten komt graag op zondag hier naar toe om te ‘hulpkosteren’ en hij verwijlt eveneens heel graag in Museum Catharijneconvent om zich te laven aan religieuze kunst. Judith zingt mee in het kerkkoor en leeft samen met Martijn mee in de parochie. Bij Jochem en Daniël zie ik dat niet zo. Maar wat geeft het? Belangrijker dan die vervelende discussies over kerken die leeglopen en de moeite die kerken hebben om mensen te binden is hoe je in het leven staat en welke waarden daarbij van belang zijn. Muziek, literatuur, maatschappij, welzijn, milieu, media, mensenrechten, de wereld waarin wij leven, het speelt allemaal mee. Geloven en christelijke traditie zou ik daar niet graag van afzonderen. Het is met elkaar verweven. Geloof moet het leven, het samenleven en de toekomst dienen, perspectief geven voor alle dingen waar het in het leven om gaat.”

Alle kinderen haken hierop in. Voor Jochem was de studie milieukunde al vanaf de middelbare school een bewuste keus. Inmiddels is hij al heel wat jaren voor het Ministerie van Milieu in allerlei projecten actief. Judith koos voor een baan in het open ouderenwerk. Naar anderen omzien is voor haar belangrijk, in gesprek gaan met in dit geval ouderen, hen zinvolle activiteiten bieden.

“Ik vind het belangrijk om mij in te zetten voor een ander en iemand tot hulp en van dienst te zijn. Ook vind ik het boeiend om met mensen om te gaan, vandaar dat ik gekozen heb voor een maatschappelijk beroep. Daarnaast hebben jullie ons meegegeven een ander niet te veroordelen om zijn/haar opvattingen, gedrag of uiterlijk en respectvol met de ander om te gaan.”

Maarten woont in een woongroep voor psychiatrische patiënten, en ook daar kun je iets voor de medemens betekenen. Hij geeft bijvoorbeeld Engelse les aan ‘lotgenoten’. Ook zijn hulpkosterschap op zondagochtend ziet hij als een zinvolle taak waarmee hij mensen van dienst is.

Identiteit zit niet in prestaties

Daniël ging een geheel eigen weg. Hij schrijft:

“Ik heb er vaak moeite mee gehad dat ik zo gevoelig in elkaar zit. Terwijl andere kinderen op de lagere school onverschillig reageerden op geplaag of terug gingen plagen, werd ik bij een plagerige opmerking al snel driftig of raakte ik geblokkeerd. Dat maakte het alleen maar leuker voor andere kinderen om door te plagen, waardoor ik het nog persoonlijker ging nemen. Ik heb altijd de neiging gehad dingen persoonlijk te nemen, een gebeurtenis te koppelen aan de persoon die ik ben. Mijn zelfvertrouwen heb ik altijd ontleend aan persoonlijke prestaties. Wanneer ik hoge cijfers haalde op de middelbare school kreeg ik daarmee  een lekker gevoel over mijzelf. Ik denk dat ik daarom graag ging blokken: wanneer ik een hoog cijfer haalde, kon ik mij daar goed over voelen. Het leren werd eerder een onderdeel van mijn identiteit dan dat ik dingen ging leren om daarmee zaken mogelijk te maken.

Nu is daar een verschuiving in ontstaan. Ik begin steeds meer over mijn persoonlijke ‘ikje’ heen te stappen, en ga studeren als een handig hulpmiddel beschouwen en niet als iets dat mij als persoon meer of minder waard maakt. Ik laat er niet meer mijn zelfbeeld door bepalen. Door elke dag twintig minuten te mediteren ga ik juist harder aan de slag, omdat er niet zo’n lading aan vastzit van ‘zie je wel dat ik slim of goed ben’. Vroeger wilde ik mijzelf bewijzen, en anderen laten weten dat ik goed of slim ben.
Nu dat minder wordt – het is een langzaam proces -, merk ik dat ik meer in verbinding sta met de mensen om mij heen en met de natuur. Wanneer ik iets uitdagends leer zoals programmeren of een uitgebreid verslag moet schrijven, is het minder een vervelend klusje. Ik heb het perspectief dat ik daarmee in de toekomst een grotere bijdrage kan leveren aan de maatschappij en dat het niet alleen maar één persoon is die ervan profiteert.

Handelingen die ooit een vereenzamend effect op mij hadden, zoals iets leren of maken, geven mij daarom steeds meer een gevoel van verbinding. Maar ik voel dat het nog maar net in gang is gezet. Vaak speelt mijn ego nog op in mijn gedachten of in mijn handelingen, maar de impact daarvan is minder omdat ik mij er meer van bewust ben en ook omdat ik doorheb dat gedachten goed noch slecht zijn. Zo ontstaan minder of geen schuldgevoelens als ik ‘verkeerde’ gedachten voel opkomen, zoals ‘ik tegen de rest’.
Door te mediteren en je aandacht te vestigen op je ademhaling, kom je erachter dat je niet je gedachten bent. Gedachten komen en gaan, en zijn geen verlengstuk van je persoon of van je persoonlijke normen en waarden. Het ene moment denk je aan je eigenbelang, het andere moment aan de belangen van anderen. Soms heb je serieuze, soms infantiele gedachten. Het is een vergissing om te denken dat de gedachten die je hebt iets zeggen over jezelf als persoon. Je hebt er namelijk geen controle over. Ze komen, of je wilt of niet.”

Ik zeg Daniël dat ik dat herken. Mijn identiteit willen zoeken in mijn activiteiten, prestatiedrang, zelfs -dwang: mijn 70-jarige bestaan is er vol van. Ik mag bij mijn jongste zoon wel in de leer gaan. Toch maar aan hem de vraag gesteld: als je identiteit dan niet in je werk en je prestaties zit, waarin wel? Moeilijke vraag. Daniël zegt: “Als kind deed ik de dingen onbevangen. Daarin school en schuilt wellicht mijn identiteit.” Hij heeft een artistieke geest, ontwerpt graag, is veel bezig met vormgeving. Hij kent de vreugde van het scheppingsproces, los van het resultaat.

Verbinding met anderen

Maar de verbinding met anderen die hij noemt… Dat is misschien wel de hoofdzaak. Hier eindigt het gesprek met mijn kinderen. Zeker, niet ieder van ons is heel erg op anderen betrokken. Ik trek mij graag in mijzelf terug, in mijn eentje achter de computer – heerlijk! – of cum libello in angello, met een boekje in een hoekje. Ik mijd liever gezelschappen. Bij sommige van mijn kinderen ligt dat heel anders. Judith zegt: “ik heb anderen nodig, samen met anderen kom ik tot iets moois.” Ook Jochem voelt zich een echte teamworker.

Over die verbinding met anderen schreef Maarten mooie dingen: “In elkaars blik en lach kunnen we Gods licht en liefde zien. Ook in gesprekken onderling. In contacten met jullie, mijn familie, mijn huisgenoten en begeleiders. In het samenzijn der gemeente. En in het ontplooien van allerlei activiteiten.”

Echte breuklijnen in ons omgaan met de christelijke traditie kunnen wij niet ontdekken. Niet erg spannend misschien. Bij ons geen slaande deuren, zelfs niet een in geweten uiteengaan van de wegen, hoogstens wat accentverschillen, hier en daar een andere insteek en beleving – het is niet anders. Wij zijn er content mee.

Over de kerk

Judith: “Ik heb meegedraaid in een jeugddienstcommissie, die de jeugddiensten voorbereidde. Ik vond het leuk om mee te denken en om mijn handen uit de mouwen te steken. Op een gegeven moment gingen wij de Domkerk bezoeken. De diensten in de Dom waren totaal anders dan de diensten in de kapel. Het was eigenlijk niet te vergelijken. Professionele muziek, teksten en overdenkingen. Het bleek dat daar ook een jongerengroep actief was. Maarten en ik namen deel aan bijeenkomsten van deze jongerengroep. Ook werden er excursies georganiseerd. We bezochten het Joods Historisch Museum in Amsterdam en musea die te maken hadden met andere godsdiensten en levensbeschouwingen. Ik vond dat interessant, want daardoor zag ik dat er overeenkomsten zijn tussen de religies. Ik vond het een mooi gegeven dat Christendom, Jodendom en Islam dezelfde God eren. Ik wilde meer achtergronden weten. Een kennis, die ik jaren later in Leiden ontmoette, vertelde mij dat hij een gemeenschap in Amsterdam bezocht waar een pastoor, een rabbijn en een imam beurtelings voorgaan. Ik vind het mooi dat dit kan en dat mensen van verschillende religies elkaar ontmoeten en met elkaar in gesprek gaan, zodat er wederzijds respect is.

Ik herinner mij dat een dominee van de Domkerk ons vertelde dat het Christendom Joodse wortels heeft. Hierdoor vond ik het interessant meer te weten van het Joodse geloof. De reis naar Israël op mijn 12e jaar is mij erg dierbaar.

Op mijn 21e koos ik ervoor belijdenis te doen. Ik was overtuigd van mijn Christelijke geloof, en van de liefde van God en Jezus. Ik geloof dat Jezus onze Messias is, dat hij voor ons is gekomen en gestorven uit liefde en is opgestaan. Het was voor mij een logische keuze om belijdenis te doen.”

Daniël: “Ik heb mij om eerlijk te zijn nooit zo thuis gevoeld in kerkelijke gemeenschappen. Dat was een gevoelsmatig iets. Misschien is het omdat ik altijd erg op mijzelf ben geweest en ik mij niet snel wil aansluiten bij een bepaalde gemeenschap of groepering. Ik geniet van de vrijheid om zaken te allen tijde in twijfel te kunnen trekken, en wanneer je je aansluit bij een groep die een bepaalde overtuiging heeft die haaks staat op de overtuiging(en) van andere groepen, beperk je naar mijn mening die vrijheid. Wanneer op bepaalde christelijke scholen kinderen feiten worden geleerd vanuit een christelijk raamwerk die worden ontkracht door de wetenschap, is dat naar mijn idee een uiterste voorbeeld daarvan.”

Ben, de lang verwachte

Medio 2013 werd hij geboren: Benjamin Daniël Theodorus, zoon van Judith en Martijn. Ook daarover ging het in de briefwisseling.

Judith in haar brief: “Na de vele behandelingen hielden wij er rekening mee dat onze kinderwens niet vervuld zou worden. Wat een Godsgeschenk dat rond onze tiende trouwdag onze wens vervuld werd met een mooi, puur kindje! Het moederschap heeft mij veel gebracht. Het is iedere dag een cadeautje om verwelkomd te worden door zijn lieve lach en gebrabbel.

Wij willen Ben onze christelijke waarden meegeven, de Bijbelverhalen doorvertellen, onze gebruiken en onze kijk op het leven meegeven. De gelijkenissen in het Nieuwe Testament vind ik tijdloze verhalen, die nog steeds actueel zijn en waar wij van kunnen leren. Ook denk ik dat er in deze tijd profeten zijn die ons de weg wijzen. Nelson Mandela is voor mij een voorbeeld van een moderne profeet. Hij heeft ons geleerd om anderen niet te veroordelen en te strijden voor een gelijkwaardige maatschappij.

Wij verwachten van Ben dat hij goed is voor de ander en dat hij zijn uiterste best doet voor zichzelf en voor de ander. Wij zijn niet gewend om dagelijks aan tafel te bidden, maar wij kiezen onze eigen momenten om te bidden. Wij vinden het van belang om stil te staan bij vrolijke en verdrietige gebeurtenissen en te bidden voor kracht, steun, wijsheid, en God te bedanken voor het goede dat ons gegeven is.

Ik zie de toekomst van de maatschappij zonnig tegemoet. Ik heb het gevoel dat wij in een overgangstijd zitten. Het is nu een moeilijke periode, met bezuinigingen en de overgang van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving. Ik hoop dat wij in dit digitale tijdperk meer gaan omzien naar elkaar, naar familie, buren en kennissen.“

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.