Ineke Clement en Sara Beumer

Tóch sloeg de vonk niet over

Ds. Ineke Clement in gesprek met Sara Beumer, dochter van Jurjen Beumer, theoloog en publicist, die tot kort voor zijn dood in 2013 werkzaam was als directeur van missionair en diaconaal centrum Stem in de Stad in Haarlem. Jurjen en Sara hadden veel gemeen. Geloof maakte vanzelfsprekend deel uit van haar opvoeding. Maar toch: “Bij mij heeft nooit enig verlangen bestaan en bestaat nog steeds geen verlangen om helder te krijgen wat de kerk of het christelijk geloof voor mij betekent.”

Lieve Sara,

Een onderzoek heeft uitgewezen dat sperzieboontjes de meest populaire groente is. Je moeder Wil begon met deze zin haar toespraak op de dag dat het boek Jij bent geliefd ter nagedachtenis aan je vader Jurjen in Haarlem werd gepresenteerd. En ze voegde toe dat je Jurjen nergens zo blij mee kon maken als met sperzieboontjes, aardappelen en een biefstukje. Ik herken dat, herken niet de heilige die sommigen van je vader maken, herken ook de vader die zich gewoon zorgen maakte over dochters die eigen wegen gaan. We spraken erover als je ouders soms bij Roel en mij op visite kwamen en we onze ervaringen met onze kinderen, die zo helemaal van deze tijd zijn, deelden. Gewoon, niks bijzonders en tegelijk heel bijzonder. Je vader zou de eerste zijn om beide kwalificaties te erkennen, getuige een van zijn mooiste boeken: De spiritualiteit van het gewone leven.

Ontroerende interviews

Sara, ik heb jou gevraagd om te vertellen over wat jóu bezielt in het leven. Juist jou, omdat jij in dat boek over je vader alle interviews hebt gemaakt met mensen die hem gekend hebben. Sommige gesprekken voerde je nog toen hij al ziek was, jullie wilden hem met dat boek verrassen. Andere werden gemaakt toen je vader al overleden was. Wat een ontroerende interviews zijn dat. “Af en toe siepelt jouw eigen gevoel en visie er tussen door, maar je houdt dat er ook buiten, omdat het gaat om de relatie tussen de geïnterviewde en je vader. Heel professioneel. Maar nu wordt jou gevraagd jezelf er eens niet buiten te houden”, schreef ik aan je in een eerste verzoek voor deze briefwisseling. Je hebt het zelf niet over jouw eventuele geloof of over God, dat vind ik trouwens ook het sterke van je vraagstelling. Heel consequent vraag je al die theologen, diaconale werkers en anderen naar hun gewone omgang met je vader, naar wat ze van hem geleerd hebben, maar ook waaraan ze zich ergerden. Ze zijn daar heel open over. De vroomheid komt niet van jou, maar van de mensen die jij vragen stelt. Ze voelen zich in jouw seculiere vraagstelling dus wel uitgenodigd om over hun eigen spiritualiteit te vertellen en dan vraag je ook wel door, oprecht nieuwsgierig. En nergens heb ik het gevoel dat het ‘gespeeld’ is. In al die verschillende mensen komt ook de kwaliteit van je vader naar voren om met iedereen, van hoog tot laag, van gelovig tot ongelovig, om te gaan.

Engagement en bezieling

Het lijkt me eerlijk dat je, voordat je op de vraag naar wat jou bezielt in kan gaan, eerst weet wat voor vlees je in de kuip hebt met mij die jou dat vraagt. Je vader en ik horen bij een verwante beweging:vanuit een politiek activisme in de basisbeweging doorgegroeid naar ‘de spiritualiteit van het gewone leven’. Ondertussen groeiden ons beider kinderen op in een wereld die vervreemd is van kerk en geloof. Een vervreemding die ze ook verinnerlijkt hebben. Met dat ik dit opschrijf realiseer ik me dat het wel lijkt of wij een omgekeerde beweging maakten: terug naar de wortels van het geloof.

Of laat ik voor mezelf spreken. Jurjen heeft altijd wel de vraag gesteld naar de eigen bezieling, maar ik volgde in die jaren een theologieopleiding (de ATO) die het alleen maar had over de maatschappelijke relevantie. Persoonlijke spiritualiteit was daar een taboe. In die beginjaren van mijn weg door de theologie – het was 1983 – vroeg hij mij om Dorothee Sölle door Amsterdam te leiden, want er was een middag over in het programma dat de Kritische Gemeente IJmond bedacht had. Wat een eer dat hij mij dat toevertrouwde. We maakten een tocht door de Amsterdamse grachten en bezochten het Anne Frankhuis en ondertussen praatten we, over politieke theologie en over de spiritualiteit van het verzet. Of het ook over persoonlijke dingen ging? Ik herinner het me niet. Terwijl zij toch ook het boek De heenreis’heeft geschreven, over de noodzakelijke terugkeer naar de innerlijkheid van het geloof. Misschien stond ik er toen niet voor open.

Hoe dan ook, er volgde een hele ontwikkeling: van de ATO naar een vervolgstudie en tenslotte de domineesopleiding in Leiden. Ik stond er zelf van te kijken. Het was je vader die mij in het ambt bevestigde, in 1995. Ik was ondertussen geestelijk verzorger in een wooncentrum voor mensen met een lichamelijke handicap en daar werd mij gewoon gevraagd om diensten te houden en met mensen te bidden. Maar hoe het er van binnen uit zag? Ik dreef op het geloofsvertrouwen van anderen, was in die zin leerling van de bewoners die niet om de weerbarstigheid van het geschonden leven heen konden. Later als gemeentepredikant leerde ik opnieuw veel van de mensen aan de basis met wie ik in contact kwam, en weer later in de psychiatrie waren de patiënten mijn leermeesters, als het gaat om volgehouden geloof, door de crisis heen.

Geloof en ongeloof

Deze briefwisseling is bedoeld voor het gesprek tussen generaties over geloof en ongeloof en over de kloof daartussen, in taal en in beleving. Soms denk ik: is er wel zo’n kloof? In mijn eigen ziel huist een ongelovige, iemand die net als mijn dochter laatst aan tafel zei: “Die Bijbel is toch een sprookjesboek? Er zal wel ‘iets’ zijn, maar ik merk er niets van.”

Dan voel ik enerzijds vervreemding en anderzijds herkenning, begrijp je dat, Sara? Je moet niet denken dat het ongeloof mij vreemd is. Ook ik leef in een wereld waar het steeds minder betekenis krijgt, ga voor in een vergrijsde kerk en leef in een cultuur waar andere waarden gelden dan die van de Bijbel. En ik word daardoor beïnvloed en denk vaak: wat is dat, geloof? Waar haal ik het vandaan? Tegelijk houdt het me dagelijks bezig, niet alleen omdat ik er, via allerlei wonderlijke kronkelwegen, mijn beroep van heb gemaakt, maar ook innerlijk. Om met Huub Oosterhuis te spreken, een van de mensen die jij hebt geïnterviewd: “Nooit heb ik niets met God.” Na en in ongeloof ben ik tot een tweede naïviteit gekomen, een diep geworteld vertrouwen dat het goed komt. Meer hoop dan geloof zou ik het willen noemen…

Je vader had dit, denk ik, zo na kunnen zeggen, maar hoe is het met jóu, Sara? Herken je de twee talen van geloof en ongeloof, of zeg je: ik heb sowieso niks met iemand die zich God noemt? Of is dat weer te boud uitgedrukt? De taal schiet tekort. Misschien kan de poëzie uitkomst bieden. Jij droeg een prachtig gedicht voor bij de uitvaartdienst van je vader. Jullie stonden daar zo kwetsbaar en tegelijk zo sterk, met jullie drieën, je moeder Wil, je zusje Femke en jij. Op de achtergrond prachtige foto’s van je vader, toen hij nog vitaal en gezond was. En jij droeg een tekst voor, waarover je moest nadenken. Daarom ben ik zo blij dat ik hem terug vond in het boek voor je vader.

Zodra de retoriek tekort schiet
kijk jij naar boven en ziet
de hemel.
Zodra de retoriek tekort schiet
kijk ik naar beneden en heb hoogtevrees.
En als ik dan naar boven kijk
duizelt mij dezelfde diepte.
Het lijkt niet uit te maken wat ik kies.
Uit mijn ooghoek zie ik dat jouw blik naar bove
tegelijk een buiging is.
Ik weet niet meer wat boven is of onder
maar belangrijker nog:
weet jij dit wel?

Zo spreek jij je vader toe. Het is een citaat, en misschien doe ik het gedicht tekort door eruit te citeren, maar ik vermoed dat je probeert een brug te slaan, in de eerste plaats naar je vader, die zo bezield was. Maar je spreekt ook je verlangen uit om deel uit te mogen maken van dezelfde taal en werkelijkheid. De taal en werkelijkheid van het onuitsprekelijke. Of vergis ik me? Wil jij iets zeggen over je eigen verlangen in dat gedicht of is dat te teer?

De kunst van het sterven

 Behalve dit gedicht en jouw gesprekken met mensen die je vader hebben gekend, staan in het boek ook laatste levenstekens van Jurjen. Wij kregen ze ook en lazen ze en ik was beurtelings ontroerd en vroeg me ook af waarom hij dit intieme proces van ernstige ziekte en sterven min of meer wereldkundig maakte. Was dat de Jurjen die een houvast vond in het schrijven? Waarom moest dat zo? Maar gaandeweg dacht ik: hier gaat het om. Niet om bespiegelingen over geloof, maar om de vraag hoe je kan geloven als het leven je onder de handen afbreekt en je afscheid moet nemen van je geliefden. Deze worsteling in alle eerlijkheid en kwetsbaarheid. Deze ziekte die je moet vervloeken en dan troost vinden in al die tekens van medeleven van mensen om je heen en de nabijheid van de Eeuwige. In pijn en ontluistering en tegelijk om ‘de kunst van het sterven’, zoals je vader het zelf benoemde, te leren. Ongelofelijk zijn die laatste levenstekens van je vader. Soms lees ik er fragmenten uit voor in mijn pastorale praktijk, waar ik ook mensen tegenkom die aan een onbegrijpelijke ziekte lijden en de dood in de ogen kijken. Wat een kostbare nalatenschap.

Jij hebt het als dochter, als geen ander, van nabij meegemaakt. Heb jij je in alle verdriet ook getroost gevoeld door de manier waarop je vader met zijn ziekte en dood omging?

Tussen de regels door van deze brief, bedenk ik me nu, lijkt het alsof dit het zoveelste interview van jou is. Dat is onontkoombaar, want je moet toch ook weten met wie je in gesprek bent. Maar er is ook een verschil. Het verschil is dat jij nu uitgenodigd wordt om over jezelf te vertellen, over je eigen hoop, je toekomstverwachting, je visie op het leven. Niet in mijn taal of de taal van je vader, maar in de taal van een andere generatie. In alle openheid…

“Dank je voor je interessante uitnodiging”, schreef je in je eerste reactie. Ik hoop dat je dat na lezing van mijn brief nog steeds zo voelt. Tot horens!

Hartelijke groeten van Ineke

 

Antwoord van Sara:

Beste Ineke,

Het verlangen om te duiden levert soms veel woorden op van weinig betekenis.

Dit gevaar schuilt in jouw uitnodiging aan mij: Wil je met mij van gedachten wisselen over jouw geloofsbeleving?

Een woord als geloofsbeleving klinkt voor mij, als domineesdochter, inderdaad zó bekend en vertrouwd dat ik zelf ook zou denken dat ik hierover mee kan praten. Maar in werkelijkheid is het een onderwerp dat altijd zo vanzelfsprekend is geweest dat ik nooit echt begonnen ben daar eigen gedachten over aan te maken. De noodzaak ontbrak. De interesse ontbrak. Het was niet van mij. Het was van mijn vader en moeder. Het was er gewoon. Zoals een route of een ruimte die zo bekend en vertrouwd is dat je niet meer echt kijkt, niet meer ziet wat je tegenkomt. Ben ik nu het motto van de Boeddhistische Omroep Stichting aan het illustreren? Wacht even, ik zoek ‘m op, even kijken, ja … ja hoor, daar lijkt het wel op. Ik citeer: Het verschil tussen kijken en zien. Opmerkelijk. Nou, zoiets.

Schrijven is geweldig spannend maar het heeft ook iets gespletens, toch? Een persoonlijk onderwerp als dit beschouwen alsof je de conclusie niet al kent. Je schrijft toch ergens naar toe? Of niet? Het is niet noodzakelijk. Hoe groot is de kans dat je in gesprek met jezelf, al schrijvend, op iets anders uitkomt dan je zelf had verwacht?

Alles via mijn vader

Het is voor mij onmogelijk om een onderwerp als geloofsbeleving los te zien van mijn ouders, van mijn vader in het bijzonder. Ieder antwoord op een vraag naar mijn geloofsbeleving gaat eigenlijk vrijwel automatisch en uitsluitend over de relatie met mijn vader. Dat is de enige invalshoek die ik ken die tot een persoonlijk verhaal zal leiden. Anders zou het bij veilige, afstandelijke beschouwingen of observaties blijven. Bij het citeren van anderen. Of hoe blij ik soms ben met mijn beetje Bijbelkennis als ik een roman lees of door een museum loop. Maar als ik eerlijk ben loopt dus alles via mijn vader. Het is een wat beperkt zicht op het geloof misschien, maar iets anders heb ik niet.

Ik lijk op mijn vader. Meer dan ik ooit heb kunnen bedenken. We vinden ons plezier en onze rust in veel dezelfde dingen. Wat ik bijvoorbeeld altijd heb begrepen is zijn fascinatie met muziek en met taal. Dat is zo volkomen herkenbaar. Taal en muziek, muziek en taal. Al zolang ik mij kan herinneren ben ik daar op een onderzoekende manier mee bezig, luister ik me suf, roepen zinnen of composities zoveel associaties op dat er gelukkig nooit een einde aan de zoektocht komt, word ik daar totaal warm van en stel ik mezelf daar vragen over waar geen enkele lijn in zit. Ook in relatie tot mijn vader.

Ik vroeg me bijvoorbeeld vaak af waarom hij zo weinig nieuwe cd’s kocht en luisterde terwijl hij toch zo van muziek hield. Radio 4 kon die honger toch zeker niet stillen? En andersom vroeg ik me van tijd tot tijd af waarom ik niet gewoon aan het schrijven ging zoals mijn vader. Of tenminste eerst écht aan het lezen ging. Waarom kon ik die discipline niet opbrengen en stilzitten zoals hij, waarom werkte dat zo verlammend? Maar ik kan me hier geen uitgebreide gesprekken met hem over herinneren. Noch over het geloof.

Mijn vriendinnen wel. Die kwamen veel logeren en vonden het geweldig, vertelden zij me later, dat het bij ons aan tafel écht ergens over ging, over de dingen die er echt toe doen in het leven. De manier waarop mijn vader hen vroeg om een mening, daarnaar luisterde en erop inging heeft indruk gemaakt. Dan stond ik ongeduldig te wachten in de deuropening tot zo’n gesprek eindelijk klaar was. Tot mijn vriendinnen en ik weer naar boven konden, naar mijn kamer, naar gesprekken over dingen die ik er echt toe vond doen in het leven.

Sleutelmomenten

We namen weinig van elkaar aan, mijn vader en ik. Des te meer nam ik gemerkt en ongemerkt van hem over. Met uitzondering van zijn geloofsbeleving. Waarom die vonk nooit is overgeslagen weet ik niet. Wat waren de sleutelmomenten? Heb ik ergens een belangrijke boot gemist?

Punt 1: Opvoeding

Aan de opvoeding heeft het niet gelegen. Integendeel.

Er is mij nooit iets door de strot geduwd. Er is nooit sprake geweest van schaamte over het feit dat mijn vader dominee was, ik was juist trots. Ik vond en vind het een heel origineel en interessant beroep. Maar mijn trots bestond voornamelijk uit bewondering voor het feit dat mijn vader zelfstandig en progressief bleef denken en doen binnen de context van die, in mijn ogen, wat conservatieve kerkgemeenschap. Ik had wel in de gaten hoe eigenwijs hij was, ook in zijn werk, en dat heb ik altijd heel stoer gevonden. Positief rolmodel, check.

Punt 2: Geestelijke vorming

Naast de opvoeding was daar natuurlijk de zondagschool. Ik vond het daar wat muffig, maar we waren net verhuisd van Krommenie naar Haarlem, dus mijn zusje en ik maakten dankbaar gebruik van deze gelegenheid om nieuwe mensen te leren kennen. Daarna volgde het Jeugd Kapel Centrum, het JKC, waar het anders dan de naam doet vermoeden behoorlijk rock ’n roll aan toe ging. Hier had ik met leeftijdgenoten onder het genot van een biertje eindeloos ideeën kunnen uitwisselen over de betekenis van ons geloof, daar waren deze clubs tenslotte voor opgericht. Ik heb veel opgestoken van mijn tijd bij het JKC, maar het had weinig met het geloof te maken.

Punt 3: Scholing

Tegen de verwachting van mijn vader koos ik voor de Vrije School. In mijn ervaring toch ook geen plek waar religie een vies woord is. Je zou zelfs kunnen zeggen, en ik zie het zo, dat we iedere schooldag begonnen met een gezamenlijk gebed. ‘De spreuk’ in de volksmond der antroposofen. Ik weet dat veel mensen het hierover nadrukkelijk met mij oneens zijn, zich zouden storen aan deze vergelijking en hier zeer verontwaardigd en emotioneel op zouden reageren.

Daarom zeg ik het hier. Dit is een probleem als het aankomt op religie. Je hoeft maar een scheet te laten en ergens anders gaat er een bom af. Niets is zo gevoelig en beladen, ongelooflijk. Het is in theorie interessant als een onderwerp zoveel losmaakt natuurlijk, maar dit gesprek levert in de praktijk vaak weinig op, is mijn ervaring.

Mij maakt het eerlijk gezegd niet uit of we iedere dag de spreuk zeiden of een gebed. Het gaat er uiteindelijk toch niet om hoe je iets benoemt? Of wel? Benoemen we de dingen om overzicht te bieden en houvast te creëren of om daadwerkelijk betekenis te geven? Of geeft het benoemen daadwerkelijk betekenis?

De tekst van de spreuk op de Vrije School was op zijn minst interessant te noemen en het samen hardop uitspreken veranderde dagelijks van iets belachelijks naar iets ongemakkelijks, naar iets moois en mysterieus, naar iets van saamhorigheid.

Voor iedere Vrije Scholier komt er onvermijdelijk een moment waarop je die tekst nog eens voor jezelf herhaalt en je afvraagt wat je al die jaren eigenlijk hebt uitgesproken. Pas jaren later. Het duurt vaak lang voor je stilstaat bij tradities die gewoon onderdeel zijn van je leven. Mits je deze niet als zodanig storend ervaart dat je er direct korte metten mee moet maken.

Net als een flink aantal klasgenoten en vriendinnen had ik natuurlijk graag iets gevonden om mij als jongvolwassene tegen af te zetten. Als domineesdochter lag van alles voor de hand. Daarvan was ik mij bewust en ik heb dat vaak gedacht maar zoiets laat zich niet bedenken.

Punt 4: Tijdgeest

Ik maak groot bezwaar tegen algemene uitdrukkingen als ‘de vervagende normen en waarden’ die mijn generatie en de generaties na ons zouden typeren. Alsof wij onszelf in de kern niet exact dezelfde levensvragen stellen als alle generaties voor ons. Alsof wij de antwoorden op al onze vragen kunnen vinden via Google.

Van jongs af aan maar met name tijdens mijn middelbareschooltijd, studententijd en daarna ben ik altijd omringd geweest door zowel gevormde als zelfbenoemde atheïsten, rastafari, antroposofen, humanisten, boeddhisten, activisten, moslims, katholieken, hervormden en gereformeerden. Niet alle wereldreligies zijn even sterk vertegenwoordigd, daarvoor is mijn wereldje helaas te blank, maar toch. Ik had me bij veel kunnen aansluiten zonder mij eenzaam te voelen.

Goed beschouwd is mijn leven één grote aaneensluiting van mogelijkheden om op mijn eigen manier kennis te maken met het geloof. Alle denkbare deuren die ingang boden tot een kerk of geloofsgemeenschap stonden altijd op een kier. Ik had ze maar een zetje hoeven geven.

Punt 5: Troost

Ergens had ik wel verwacht dat de ervaring van een diep en persoonlijk verdriet bij mij het verlangen naar een God zou wakker maken. De interesse voor een verlosser, een nieuwsgierigheid naar datgene waar mijn vader zoveel inspiratie in vond.

De ziekte en het overlijden van mijn vader heeft een diep verdriet veroorzaakt. Dieper dan je wist dat bestond, simpeler en complexer ook dan je wist dat gelijktijdig kon bestaan. De manier waarop mijn vader omging met zijn ziekte en zijn sterven heeft mij veel geleerd over zijn geloof en zijn vertrouwen. Het heeft mij ook veel over mezelf geleerd maar het heeft bij mij geen verlangen naar een God wakker gemaakt. Bij mij heeft nooit enig verlangen bestaan en bestaat nog steeds geen verlangen om helder te krijgen wat de kerk of het christelijk geloof voor mij betekent en hoe ik dat zou duiden. Waarom niet? Dat heb ik me vaak afgevraagd. Misschien dat ik ooit naar het antwoord op zoek ga. Wie weet schuilt daarachter weer iets dat de moeite waard is om uit te zoeken.

Wat mij inspireert

Ja, ik ben nieuwsgierig naar datgene waar mijn vader zoveel inspiratie in vond.

Ook wil ik onderzoeken en steeds opnieuw blijven definiëren wat mij zelf inspireert. Waar ik zoveel kracht uit kan halen als mijn vader uit zijn geloof. Dit is me soms heel duidelijk, steeds vaker, maar het mag geen naam hebben. Het is eenvoudig. Ik heb geen idee of mijn levenshouding onder een –dom of –isme valt. Ik hoef de manier waarop ik in het leven sta vooralsnog niet samen te vatten of te labelen. Liever niet zelfs.

Voor mij is het geloof onderdeel van mijn opvoeding. Ik heb deze opvoeding, het lezen uit de Bijbel, het bidden voor het eten, het kerkbezoek, het zingen bij de piano, het bezoek aan Taizé en uiteindelijk ook de gesprekken aan tafel als iets heel positiefs en verrijkends ervaren. Het is onderdeel van een grote, mooie erfenis. Het voelt merkwaardig om iets te isoleren. Het gaat samen op met alle andere dingen die ik van mijn vader en moeder heb meegekregen. Levenslust, zelfvertrouwen, trouw zijn aan je eigen gedachten, kritisch en vragend in het leven staan, hard werken, niet alleen voor jezelf leven en zin geven aan de dingen die je doet. Daar ben ik voorlopig wel even zoet mee. Zoveel is zeker.

Een vriendelijke groet van Sara Beumer

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.