Kees Bouman en Marijke Bouman-Kuiper

Afgebroken estafetteloop?

Ds. Kees Bouman in gesprek met zijn schoondochter Marijke Bouman-Kuiper, GZ-psychologe/psychotherapeute, over ‘leven in de breedte’ van tegenwoordig tegenover ‘leven in de lengte’ van vroeger, met dank aan schrijver A.F.Th. van der Heijden. Is er in de ‘estafette der generaties’ een breuk opgetreden, of is er toch continuïteit? Schoonvader en schoondochter nemen de tijd om na te denken over ‘huizen’ die verlaten werden en over maatschappelijke ontwikkelingen die dieper inwerken dan wij ons vaak bewust zijn. Hoe kunnen wij ‘samen sprekend onderweg’ zijn en blijven?

Er was een duizelingwekkend bestaan mogelijk – niet in de lengte…, maar in de breedte, waar alles sneller verliep, geen aardse tijd verloren ging: waar alle gebeurtenissen zich tegelijk afspeelden.

Mijn schoondochter Marijke Bouman-Kuiper, GZ-psychologe/psychotherapeute, zegt dat ook het kind in de breedte leeft, als in een voortdurend heden. Zeker, maar dat leven is eerder ‘leven in de diepte’, onbewust zich losmakend van het verleden dat meegaat, open toegroeiend naar de toekomst. Het is daarmee ook een vorm van ‘leven in de lengte’.

In ons gesprek over de estafette der generaties rijst de vraag naar continuïteit of breuk. Waar verloren we het estafettestokje? Is het wel verloren?

Kees, vertel uit welke wereld je komt.

“Ik groeide op in een huis met vertrouwde dingen en mensen, vertrouwenwekkende woorden. Dat werd versterkt door het vaste maar niet starre ritme in het dagelijks leven. Bij dat huis hoorden vormen van geloof: gebed, bijbel lezen, vaak onbegrijpelijke, maar vertrouwde taal. Die klonk door in de kerk. Ik las veel, niet zozeer bijbel- en geloofstaal, toch drong die taal door de poriën van het gelezene heen. Die taal gaf ik vorm in lied, discussie. Die Taal (hoofdletter), begrepen, onbegrepen, boven zichzelf uitwijzend, hoorde bij dat huis, bepaalde je mens-zijn. Nemen van verantwoordelijkheid hoorde daarbij, ingekaderd in en meegedragen door de groep waartoe ik behoorde.

Die Taal verwees naar God. Ook naar – schimmig – de hemel. Later: Koninkrijk van God, wereld waarop vrede en recht regeren. Dat ging steeds meer tot het huis horen. Zo nestelde zich de dimensie van de tijd erin. Het huis werd een taal- en tijdruimte. Het vertrouwde groeide er als een bescherming; tegelijk groeide – ongemerkt – vertrouwen in de toekomst.

Toekomst was toekomst voor ons, kinderen, verder hielden mijn ouders er zich niet zo mee bezig. Ze namen hun verantwoordelijkheid voor het heden. Uit plichtsgevoel? Meer uit vrijheid. Vrijheid niet als doen wat je wilt, maar willen wat je doet. Dat ontspringt aan de dankbaarheid vrij mens te mogen zijn en blijven. Dat heeft die Taal ingeprent. Je beantwoordt het in verantwoordelijkheid en solidariteit. Klopte fanatisme aan? Felle discussies! Het werd wel onderkend. Barmhartigheid was de grondnotie.

Overeenkomstig de leeftijd uitte ik kritiek, demonstreerde, zette me praktisch in. Ik was immers opgegroeid, gedoopt in de Taal waarvan barmhartigheid oorsprong en dragende grond is. Dat werd een ideaal: barmhartigheid als slagwapen!”

Mag ik je even onderbreken? Wat je nou zegt, doet mij denken aan het beeld dat ik van Jezus heb zoals die in de kerk wordt verkondigd. Daarbij komt Jezus bij mij vaak over als een irritant, betweterig mannetje met een mateloze energie om iedereen uit te leggen hoe het zou moeten… En het ‘bovenmenselijke’ van dat Godsbeeld heeft ook iets irritants en vermoeiends. Stel je voor dat er op de wereld alleen nog maar vaders zoals God, en zonen zoals Jezus waren!! Maar dat ligt in ‘jouw kringen’ vast niet zo lekker. Mijn godsbeeld is in elk geval helemaal anders. Daar komen we nog wel op terug.

“Dat Jezusbeeld snap ik wel. Wat mij betreft, de drang idealen vorm te geven werd versterkt door het zien van ingrijpende barsten in de veilige woning. Een inwonende psychisch zieke tante; opgroeien als vreemdeling; beide wereldoorlogen zeer zichtbaar nog aanwezig in invaliden; recente verhalen erover. Hoever is Gods Koninkrijk van recht en vrede! Actie! Waren er resultaten?

Eén en andermaal klopt al vroeg in ons huwelijk de dood aan. Wat deed dit met mijn geloof? Of is het: wat deed het geloof met mij?

Dan blijkt het ‘huis’ – met ingrijpende barsten! – een veilige plek onderweg. Een taal- en tijdplek die me meeneemt doorheen een ongewild heden, die toekomst geeft. Uit idealisme naar de goede toekomst grijpen? Die nodigt zichzelf uit om binnen te komen.

Verwachtingen, idealen vallen weg. De vertrouwde Taal (‘van de overzijde’), die in de ruimte stelt, blijft. Die Taal meldde zich ongevraagd, bleek een levend, leven scheppend woord te zijn. Die Taal meldde zich in de oude verhalen, in de volgehouden betrokkenheid op de eredienst, in de zuivere toon die iemand, namens Iemand, pastoraal aansloeg. Taal die perspectief bood en was en is. Zoals ‘ik heb je lief’ dat doet. De taal van de Bijbel, van de geloofstraditie – dor, oud, toch? – heeft alles te maken met leven in vrijheid, met heden, uitzicht, hoe het ook gaat. De oorsprong ligt immers in een verleden dat heden blijft, ligt in een belofte, ligt in God.

De barsten verwijzen naar de raadselachtige mengeling van lot en schuld, naar dieptes in ons waarvan je een gruwelijk vermoeden krijgt. Ze werkten toch op één of andere manier zegenrijk uit. God nam ze in dienst. Dat is een actualisering van het Paasverhaal.

Daarmee is de bitterheid rond psychisch ziek zijn niet weg, noch de demonie van de oorlogen. Het donker, het kwaad, het lot, het heeft in zichzelf niets positiefs, heeft ons niets te bieden.”

Maar ook de buitenwereld kan de mens tot een ‘huis’ zijn. Hoe belangrijk en heilzaam is het om pijnlijke, onaangename gevoelens waar te nemen, te onderkennen en te accepteren. Juist het onder ogen zien van je eigen donkere lijn, het toelaten en verdragen van je eigen pijn en je zelf daarin ondersteunen is de weg naar genezing. Murakami schrijft: “Just like an iceberg, what we label the ego or consciousness is, for the most part, sunk in darkness. And that estrangement sometimes creates a deep contradiction or confusion within us”.[2] Ons ‘ik’, ons bewustzijn, ligt goeddeels in het duister. Hoe verwarrend, deze donkere lijnen van lot, schuld, onmacht. Zoals Murakami, vooraf, vertelt over een vrouw die met haar duistere gedachten effectief vernietigend bezig is – gewild? ongewild? – en zich daar schuldig over voelt. Hoe kijk jij daar tegenaan?

“Ik vermoedde, vertrouwde soms, dat de scheuren in een levenshuis, lot en schuld inbegrepen, geen laatste woord zijn. God spreekt een mens aan. Dat vormt, zoals een liefdeswoord, ruimte om te leven, schept nieuwe tijd. Daar tasten we naar antwoorden, om vanuit die Taal der barmhartigheid de ander, het geschapene, in die ruimte te betrekken. Het is de plek waar Gods toekomst regeert. Dát is leven in de lengte.”

In de lengte?

“Het leven hoeft niet leeggedronken te worden, idealen niet koste wat kost vervuld, bij het goede hoort ook wat onaf is, ons leven staat onder het voorteken rust te mogen nemen. Zó leven met toekomst, in werkelijke ontmoeting met elkaar, met God. Samen sprekend onderweg, dat is een definitie van tijd. Samen, God en mens, de mens met zichzelf en de ander, met de schepping en de cultuur. En: geloven in de toekomst is daarmee intens betrokken op het heden. Ik kwam er niet onderuit: Taal dringt naar vertaling. Ik ging theologie studeren.

Die Taal leert – bevrijdend! – ‘zondebesef’: je verantwoordelijk weten voor eigen falen èn dat dit falen geen laatste woord is. Zo ben je blijvend op de toekomst betrokken.

Kwaad dat wij deden negeren? ‘De geschiedenis loopt zoals de geschiedenis loopt’.[3] Wie de last van het verleden negeert, zou hij oog voor toekomst kunnen hebben, gevangene als hij is van een voortgaand ‘nu’ dat zichzelf vrij pleit?! Is dit ‘leven in de breedte’ een centraal motief geworden? Het naïeve, overmoedige ideaal, een wereld van recht en vrede, een kerk die daarnaar streeft, verdampte immers. Teleurgesteld heeft mijn generatie massaal de kerk, veelal ook het geloof, de rug toegekeerd. In die beweging is de generatie na mij meegenomen. Wat bleef er over van het oude vertrouwde? Ik, behoed door het ‘huis’, leerde nieuwe wegen zien.”

Die wereld van vrede en recht verdween, zeg je. Wat kwam er dan voor in de plaats? Regeerde uiteindelijk niet de chaos?

“De kwetsbaarheid van de generatie na mij, veel minder in de geborgenheid van het veilig ‘huis’ opgegroeid, nam beduidend toe. Geen eenheid van leven meer: gezag en moraal waren aan forse verschuivingen onderhevig. Waren ze soms heel lastig? Ze vormden mede de sociale cohesie, beschermden ook. Nu ben ik, als individu, voluit verantwoordelijk voor beslissingen. Wie kan die last aan? Hoe vanzelfsprekend zichzelf vrij te pleiten van het verleden.

De kerk werd een gebouw in de steigers, geloof tot ‘er zal wel wat wezen’. De Taal die bepaalt bij verantwoordelijk èn vrij deel uitmaken van een voortgaande geschiedenis, leek op terugtocht. “

Is die kwetsbaarheid niet te donker geschilderd? Het feit dat ik een oudere generatie ‘boven’ mij heb, geeft een gevoel van veiligheid, want dat biedt mijn huis als volwassene een nieuwe, positieve dimensie. Ik prijs me gelukkig met de vele gesprekken en tijd die ik met familie en vrienden uit de vorige generatie geniet.

“Dat is goed en bemoedigend om te horen. De vraag blijft waarom de Taal, door mensen gevormd, die haar oorsprong had in God, verdampte. Eens was zij beschermend, bevrijdend, wegwijzend. Ze verdween. Waar vind ik dan bescherming, bevrijding, waarheid? Waar vind ik vervangende ‘talen’?

In zekere zin stelt de mens zichzelf tot norm, waardoor iedere vorm van autoriteit en respect verdwijnt. Tenminste, zo zie ik dat. De mens is met zichzelf alleen. Oriëntatie van elders ontbreekt. Bedoel je dat?

“Zeker, het ‘ik’ werd het middelpunt. Taal betekende eens: verantwoordelijkheid voor de toekomst: vrede, gerechtigheid. Dat gaf een krachtige sociale cohesie. Maar als die toekomst voor het gevoel en het verstand verdampt? Als de sociale cohesie afbrokkelt? Dan ligt het voor de hand alles op het heden te concentreren. Een exponentiële toename van ontspanningsprikkels was daar zeer behulpzaam bij.

Dus inderdaad: leven in de breedte, hang naar een permanent ‘nu’ dat vol actie, leuk, gezellig moet zijn. XTC gebruiken, hooligan-zijn, voelen dat je leeft; coke-gebruiken, boven jezelf uitstijgen; meer prikkels van een cadeauvloed waar kinderen zich geen raad mee weten; toenemende grofheid bij conferenciers. Hedonisme als ultieme zingeving, als nieuwe doop die je geen moment rust gunt. We krijgen steeds meer vrije tijd, die rust mogelijk maakt. Rust?! Dat is leegte! Is hier nog ruimte om met elkaar onderweg te zijn, in een luisterhouding? Ruimte voor tijd die er toe doet?

Het ‘nu’ bij ‘leven in de lengte’ is gevormd door verleden en toekomst, door Pasen en Gods belofte. Daarom krijgt ‘rust’ in dat ‘nu’ zoveel ruimte! Bij ‘leven in de breedte’ is het ‘nu’ slechts deel van zichzelf. Het vraagt om eindeloze, ervaarbare verwerkelijking, wil onopvulbare leegte opvullen in een voortgaande stroom van handelingen. Maar: we leven! Rustmomenten? Dat zijn angstige momenten, alsof je uit de tijd weg bent, momenten die bepalen bij ‘wie ben ik?’, ‘is er zingeving?’.

Een evenementencultuur. Is er niets bijzonders te beleven? Het alledaagse wordt event – kerstboom kopen!”

Mensen willen graag, ook in de breedte, iets goeds doen, toch?

“Goddank wel! Giro 555 is symbool van die eerdere doop: barmhartigheid. Besef van verantwoordelijkheid krijgt gestalte. Buurtinitiatieven voor uitgeprocedeerden met een naam, een gezicht. Want: dat kun je zomaar niet laten gebeuren! Talloze thema’s die de huidige generatie opneemt: milieu; discriminatie; pesten is niet vanzelfsprekend; kinderen en musea zijn geen gescheiden werelden; bedrijven die, soms uit ideële overwegingen, oog hebben voor de natuur; in Utrecht ‘de Mantel van Sint Maarten’ voor initiatieven voor gemarginaliseerden. Geweldig! Ik heb geen negatief mensbeeld, zomin als jij, vermoed ik.”

Klopt, maar als je me vraagt voor wie ik meer sympathie voel, dan zijn dat duidelijk de gewone mensen. Die zijn feilbaar, kwetsbaar, doen eigenlijk maar wat, zijn volkomen onredelijk en kunnen anderen, bedoeld of niet, beschadigen en zich weer verzoenen, maar ze proberen (uitzonderingen natuurlijk daargelaten) in hun onbeholpenheid en zoektocht er het beste van te maken. Dat roept bij mij diep respect op, daarom houd ik zo van mijn werk en dus van mensen.

“Maar wat wij vaker bespraken: de toenemende hulpvraag bij psychische problematiek laat tegelijk de moeite zien met noties als vergeven, opnieuw mogen beginnen.”

De keerzijde voor mijn generatie is het idee dat alles individueel ‘maakbaar’ of ‘oplosbaar’ is. The sky is the limit! Dit leidt tot een schijnbaar onbeperkte keuzevrijheid en gebrek aan oriëntatie. Dat veroorzaakt druk, dat het doel in het leven zou zijn continu en maximaal gelukkig    en succesvol te zijn. Mijn generatie wordt nauwelijks meer geoefend in het verdragen van teleurstelling, laat staan pijn, verdriet, woede en angst.

“Wellicht. Idealiseer het verleden niet. Het negatief- burgerlijke was er ook. Het nieuwe, kritische, werd als bedreigend ervaren. ‘Waarheid’ was een burcht, een slagwapen, in plaats van wat zij eigenlijk is: een rollator. De woning die geborgenheid bracht, kon tegelijkertijd benauwend zijn. Ze versterkte de hunkering naar bevrijding. Je losmaken van tradities kan heel heilzaam en bevrijdend zijn.”

Wir leben Autos[4]

 Wat is voor jou een symbool van bevrijding voor jouw generatie, steeds meer levend in de breedte?

“Ieder z’n auto! De auto als aspect van bevrijding is deels terecht.[5] Gaan waarheen je wilt, dat is mooi! Alleen, vrijheid als ‘doen wat je wilt’ is een vat der Danaïden: nooit genoeg.

De auto verwerkelijkt mijn individuele vrijheid! Afblijven! Hoog konden de gemoederen oplopen als autogebruik kritisch ter sprake kwam.

Een gedicht van Vrouwkje Tuinman geeft de autoliefde fraai weer:

Verdoving

De auto’s zijn de verstandskiezen van de straat,
teveel volume voor te weinig kaak. Dus schiet
de buurman sneller dan zijn schaduw als
de andere buurman in zijn wagen stapt, iemand
van de overkant of iemand die op visite kwam.
Hij holt zijn huis uit. Voor schoenen is geen tijd.
Het portier kan open blijven staan. Hij rijdt twee meter
achteruit, of vijf naar voren, precies het stuk dat
nodig is om het licht in, het zicht op, het hele
woonkamerraam, weg te nemen. Totdat alles klopt.

De auto, deel van onze ‘woning’, ons gevoelsleven! Het huis verlaten? Dan in mijn andere huis, mijn auto.

Er is wel een langzaam groeiend verantwoordelijkheidsbesef, juist bij jouw generatie, dat autogebruik, milieu en toekomst nauw samenhangen. De groei van autodelen wijst daarop, al speelt de heersende financiële situatie ook een rol.

Waar het om gaat bij intensief autogebruik is een tijdsbesef dat zich losmaakt van geleefde tijd. Er is ook een ander besef van ruimte mee verbonden. We rijden van A naar B. Twee tijdstippen en plekken zijn relevant: vertrektijd/aankomsttijd, locaties A/B. De reis zelf? Tijdverlies!“

Bedoel je: we hebben geen tijd meer voor ervaringen tijdens de reis? Staat dat symbool voor geestelijke verschraling en fantasie?

“Ik bedoel: we hebben geen tijd meer voor de tijd als ontmoeting, gesprek. De overbrugde ruimte is gereduceerd tot wegen, bewegwijzering, in plaats van mogelijkheid tot ontmoeten, gesprek. De relatie mens-natuur komt verder onder druk te staan. Tijd wordt gereduceerd tot de opeenvolging van een lange rij handelingsmomenten (sturen, gas geven). Hoe meer handelingsmomenten, des te intensiever leven wij. Tijd is handelen. Nu! Altijd maar door.

Is er nog tijd om luisterend, sprekend onderweg te zijn of blijft alleen een vorm van leven in de breedte over?

Het betekent versterking van de bestaande tendens tot rusteloosheid. Van werk tot ontspanning, altijd dient er actie te zijn. Géén actie betekent verveling, stilstand. Tijd voor reflectie? De klassieke zondagsrust – die daar de ruimte voor bood – is lege tijd! Het gaat maar door. Dat is goed! Goed omwille van zichzelf, en zo losgekoppeld van onze levenstijd.

Voorbeelden? De voortvarendheid waarmee jeugdzorg een gemeentelijke verantwoordelijkheid wordt. ‘Dokter, ik wil NU geholpen worden’. Nieuwe prikkels zoeken we: kijk naar de onafzienbare rij detectives op tv; of hoe we in de eredienst emotie oproepen. Mijn emotie? Als die geraakt wordt, raken we aan de waarheid!

Deze rusteloosheid in en van de huidige samenleving zie ik als een reële bedreiging voor ons geestelijk en lichamelijk welzijn.”

Machines that became Us[6]

Als je dat zo schetst, doemt er een weinig vrolijk toekomstbeeld op. Is het zo somber?

“Ik heb zorg om de toekomst en ben tegelijk optimistisch door de veerkracht van jouw generatie en heel vroom: Pasen is actuele werkelijkheid.

In de ICT vervangt virtuele tijd deels het heden. Dat is mijn zorg. De schrijvers van Machines that became Us betogen dat ICT- techniek de mens altijd tot dienaar zal zijn.[7] Daarachter zit een bepaald mensbeeld: vrij, autonoom, onafhankelijk, rationeel.

Vanuit het mensbeeld waarin de mens kwetsbaar is, is de visie op de effecten van ICT eerder: “De kleine machientjes… veranderen niet alleen wat we doen maar ook wie we zijn.”[8] In formele termen: ‘De techniek is een ontologische machine die de menselijke wereld en de mens zelf meesleurt in een voortdurende transformatie’.[9]

Zonder het gebruik van internet of auto te demoniseren,[10] is de vraag: wat gebeurt hier met ons?”

Digitalisering van de sociale samenleving lijkt niets anders dan een (vooralsnog sociaal geaccepteerde) manier van het vermijden of afreageren van de donkere kanten in onszelf. Net als bij tabak, alcohol en drugs gaat hier een zeer gevaarlijke, verslavende werking van uit: onaangename gevoelens hoeven dankzij de afleidende prikkels niet waargenomen te worden en het geeft op korte termijn een vluchtig, prettig gevoel. De negatieve gevolgen op lange termijn: sociale isolatie, gedrags-, cognitieve en financiële problemen. De negatieve emoties die daardoor worden veroorzaakt kunnen, zoals bij iedere vorm van verslaving, ‘pijnloos’ en eenvoudig met het verslavende middel bestreden worden, zodat de Teufelskreis rond is. Dat dreigt te gebeuren wanneer deze transformatie zich verwerkelijkt.

“Marijke, jij zegt het, ik vrees dat ik je bijval.”

Als je me bijvalt zoals ik het beschrijf, zie ik de mens een eenzaam wezen worden zonder boven en beneden.

“De toenemende ik-gerichtheid betekent toenemende eenzaamheid. Dat versterkt de hunkering om een ‘ik’ te zijn, gekend. Als ik online ben, besta ik. Hoe heilzaam zijn dan Facebook en dergelijke. Hier worden vriendschappen gesloten op een wijze die in het reële leven ondenkbaar is.

Spreekt vriendschap met één persoon de emotionele kant in onze hersenen al krachtig aan, bij een overdosis aan vriendschappen is er in feite geen sprake meer van diepere en daarmee echte vriendschap, behalve wanneer die er al eerder was.

Op Facebook hoort een profiel: wie ben jij?! Je creëert een persoon die op jou lijkt maar die feitelijk buiten de door jou geleefde tijd staat.

Je bent online via Facebook, Twitter, WhatsApp; berichten verzenden, ontvangen, liefst in een voortdurende stroom. De tijd verloopt van bericht naar bericht.

De ruimte is teruggebracht tot de ruimte die mijn scherm en ik innemen.”

Overkill is killing?

“Ja, waarbij ik op grote risico’s wijs. Zomin als bij een overdosis vriendschappen sprake is van diepgaande vriendschap, is bij een overdosis aan informatie sprake van toenemende innerlijke betrokkenheid bij wat zich rondom afspeelt. Overvloed aan verkeersborden bewerkt dat je een deel ervan niet ziet. Voortdurende informatie werkt vervlakkend, laat je enigszins buiten het heden staan. Denk aan ‘phubbing’: terwijl ik in gesprek ben, word ik gebeld of krijg ik een bericht. Ik kijk, beantwoord, eventueel me verontschuldigend. Blijkbaar interesseert mijn feitelijke gesprekspartner mij niet zo, wel die nog onbekende. Het toont een gebrek aan fatsoen èn een poging om in twee tijdsdimensies tegelijk te leven. Leven in de breedte dus, een steeds breder heden, waarin de werkelijke aandacht voor situaties en mensen verschraalt. Sommige onderzoekers stellen dat een toename van het aantal ‘volgers’ bij Twitter of Facebook omgekeerd evenredig is aan de intensiteit van onze contacten op menselijk vlak.”

En de games?

“Goed dat je dat noemt, want ik weet dat jij je daarover bezorgd maakt. We willen leven in een virtuele wereld, boeiender, overzichtelijker dan de reële. Ik kan actief ingrijpen via interactieve games, er een goede wereld van maken. Ik heers erover, bepaal wie en wat vernietigd wordt, of niet. Zo ontsnap ik aan de reële wereld. Bieden de games de mogelijkheid mijn agressie te ontladen? Ze bieden evenzeer de mogelijkheid die op te bouwen. Hier stijg ik boven mezelf uit, ik, onsterfelijk middelpunt. Reële tijd noch ruimte speelt een rol: alles is in mijn macht. Ik bouw een nieuwe, virtuele wereld, echter dan echt. Alles speelt zich af in de reële tijd achter een scherm. Het reële is nu onderdeel van het virtuele, hoewel het omgekeerd begon.

Ethische noch praktische bezwaren doen er nog toe. Niet het exponentieel toenemend gebruik van zeldzame grondstoffen. Niet dat intensief gebruik van ICT een onmiskenbare uitwerking heeft op hersenprocessen: de snelheid in opzoeken van gegevens neemt toe, niet de verdieping in denken. Toename van feitenkennis betekent geen toename van kennis van feiten.”

Je ziet niet alleen een eenzame mens maar ook een bedreigde persoonlijkheid?

“Inderdaad. Ik (subject) schep een virtuele wereld (object) in talloze volgers of in het spel, een wereld die mij naar binnen trekt en verandert, herschept tot een virtueel ‘ik’. Het reële ‘ik’ is er natuurlijk ook. Wie ben ik dan werkelijk? Geen geringe vraag! Een deskundige weet het antwoord: wij zijn ons brein.[11] Ons ‘ik’, subject, valt samen met onze hersenfuncties, een biologische PC, een vorm van elektromechanica, een object.

Maar of dit alles bespreekbaar is? In een gesprek de negatieve aspecten van ICT benoemen betekent dat je hopeloos verouderd bent en dus niet serieus wordt genomen.”

Het beeld van de mens die geschiedenis vorm geeft en beschrijft wordt zo niet meer herkend.

“Vrijwel iedereen wil verantwoordelijkheid dragen. Maar men dreigt te vergeten dat de informatisering van ons wereldbeeld gepaard gaat met het bijgeloof dat wij de dingen kunnen berekenen, dus beheersen – mits wij voldoende informatie hebben. Het doet denken aan de mechanisering van het wereldbeeld.

Men neemt wel verantwoordelijkheid, maar hoe zou men, goeddeels levend buiten de reële tijd, weten waar men antwoord op moet geven? Als er vragen worden gesteld bij deze ontwikkeling, zoals milieuvragen, worden die overwegend genegeerd. De toekomst speelt feitelijk een marginale rol.

Wat gebeurt er in onze taal als de ontmoeting met de werkelijkheid verschuift naar een virtuele werkelijkheid? Valt hier over Taal nog iets te zeggen? Waar blijft de ruimte als plek om elkaar, samen sprekend, te ontmoeten, en zo de tijd gestalte te geven? “

Welke consequenties heeft dit alles voor het spreken over God? Mijn godsbeeld is zoiets als: de oude wijze vader, die welwillend en accepterend op mijn proces van ‘afdalen in de kelders van mijn ziel‘ neerkijkt en mij een hand reikt en troost biedt als ik struikel of niet verder durf. Maar eigenlijk denk ik dat ik zelf die God ben, althans dat ik probeer die te verinnerlijken en vanuit een metapositie zo met mezelf probeer om te gaan. Ik sluit zeker niet uit dat ik dit beeld door voortschrijdend inzicht en gesprekken onderweg nog vaak zal aanpassen.

“Voor mij is God van de ‘overzijde’, die in gesprek ons leerde spreken en luisteren. Door onderling gesprek leren wij van elkaar, hebben wij zo deel aan de tijd: verleden, heden, toekomst. Waar de barmhartigheid al dan niet de grond is van het mens-zijn, verbindt de taal of maakt ze scheiding, want barmhartigheid is het eerste woord dat de Taal ons leerde. In het gesprek komen onze verantwoordelijkheid èn het menselijk tekort aan de orde en zo vinden we vrijheid. Het gesprek gaat over kerk- en geloofsgrenzen heen. Waar dit gebeurt, mogen we rekenen met toekomst, dragen we het verleden als gave met ons mee.

Belangrijk is ons te laten verrassen. Het onverwachte vertoont zich slechts aan wie het verwacht. Voorwaarde is rust nemen, reflectie, met een betrekkelijk vast ritme, met ruimte voor ontmoeting. Daartoe dient de wekelijkse rustdag als een plek van geborgenheid en uitzicht om tot zichzelf en elkaar te komen. En, zeg ik erbij, tot God te komen.”

Hoe verhoudt zich de maatschappelijke ontwikkeling van de onvrije zondag tot jouw visie? Voor mij is die zondagsrust een eerste stap naar intiemer contact met mezelf en als gevolg daarvan met anderen. Het is: de tijd nemen om gewoon ‘er te zijn’, zonder doel, het is goed zoals je bent.

“Mijn vraag is: hebben we nog tijd om samen sprekend onderweg te zijn? Of wordt onze samenleving steeds meer gekenmerkt door leven in de breedte? Immers, waar de Taal op de terugtocht lijkt en wij vluchten in het ‘nu’, daar is de zuiging van de breedte, die onze donkere stukken negeert, heel sterk. Misschien kan de oudere generatie dat beter inzien en eruit leven. Vertrouwend dat Pasen werkelijkheid blijft.

Tegelijk, dwars door alle teleurstelling heen: de moed om door te gaan vind ik eerder bij een jongere generatie. Pasen werkt door, ook zonder ons geloof!

Levend in de tijd- de estafetteloop -, gekleurd door barmhartigheid, opgenomen in de voortgang van Gods tijd, is het leven in zichzelf zinverlenend. Dan is er de vreugde om het bestaan zelf, om de ontmoeting – het estafettestokje -, krijgen wij toekomst.”

[1] A.F.Th. van der Heijden – De tandeloze tijd – Proloog – De slag om de Blauwbrug, 1983, blz. 21.

[2] Haruki Murakami, Kafka on the Shore, London, 2005, blz. 296 ev.

[3] Aldus premier Mark Rutte (NRC-Handelsblad, 19.11.2013), daarmee weigerend Indonesië een algemeen excuus aan te bieden wegens de misdaden van Nederlandse militairen gedurende de politionele acties.

[4] Opelreklame.

[5] Nog afgezien van het belangrijke zieken- en ouderenvervoer.

[6] Machines that become Us, Katz, J.E., ed., New Brunswick/London, 2002, p. 317 ev.

[7] A.w., p. 318.

[8] Sherry Turkle, hoogleraar Social Studies of Science and Technology, Massachusetts Institute of Technology, lezing, 2012.

[9] J. de Mul, Cyberspace Odyssee, Kampen, 2010, 6e druk, p. 23.

[10] Zo kan Internet voor aan huis gebondenen tot zegen zijn.

[11] Aldus D. Swaab in zijn gelijknamige boek (2010). Hij vergeet dat hersenfuncties en het ‘ik’ categoriaal verschillend zijn.

[12] Naar het boek van E.J. Dijksterhuis, De mechanisering van het wereldbeeld, Amsterdam, 1996, 7e druk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.