Reintje Stomphorst

Brief aan Martine bij haar huwelijk: “Ben je een ijzertje of ben je van goud?”

 Martine vraagt haar moeder, ds. Reintje Joke Stomphorst, haar huwelijk met Bertus in te zegenen. Vooraf stuurt Reintje Joke haar dochter een brief. Het overlijden van Martine’s tweelingzusje Janneke toen zij nog slechts enkele weken oud was, trok diepe sporen in het gezin. Het speelt ook een grote rol in de brief. Wie of wat was God in dat vreselijke gebeuren? Niet de veroorzaker van het leed, aldus Reintje Joke, wel Degene die erbij was als een liefdevolle en troostende aanwezigheid. In elk mens licht iets van God op, en wij zijn geroepen om Gods liefde te laten doorschijnen. “In niemand anders kan Hij Martine zijn dan in jou.”

Lieve Martine,

Binnenkort ga je trouwen en jij en Bertus doen dat ook in de kerk. Je trouwt bovendien in dezelfde kerk als waarin je gedoopt bent, dezelfde kerk ook waar je tweelingzusje Janneke uitgedragen is. Een betekenisvolle plek. Dat we daar dan weer zullen staan om de liefde van jou en Bertus te vieren, vervult me met dankbaarheid!

Je vroeg aan Heijmert en mij of wij de doopkaars van Janneke nog hebben. Aan het begin van jullie huwelijksviering wil je haar doopkaars aansteken ter gedachtenis. Ik vind het een bijzonder gebaar.

In het gesprek dat daarop volgde heb je me de vraag gesteld hoe ik in God kon blijven geloven nadat Janneke, na een lijdensweg die bijna haar hele leventje duurde, stierf aan zuigelingenkanker op de leeftijd van nog geen vier maanden. Ik vertel je dan wel dat ik God daar niet verantwoordelijk voor houd, maar ik realiseer me dat ik weinig heb geprobeerd uit te leggen over mijn relatie met God.

Ik zei laatst tegen je:

Ik heb een gat in mijn ziel
en als ik ‘God’ zeg,
dan wordt die leegte ruimte,
met de liefde als midden.

Het gat in de ziel herkende je zo, vertelde je. “Wat jij God noemt, dat noem ik misschien wel Janneke.” Ik weet het: hoewel jij zelf nog geen vier maanden was toen je tweelingzusje stierf, heb je altijd een gemis gevoeld. Je was al vroeg bezig met vragen van leven en dood.

Eens liepen we achter een klasgenootje, die tegen zijn moeder zei: “Mama, ik ben bang om dood te gaan.” Zijn moeder zei: “O joh, maak je niet druk, eerst is opa aan de beurt en dan ik en dan jij pas. Denk over de dood voorlopig maar niet na.” Jij zei in je grote kleuterwijsheid: “Laat hij dat maar geloven hè mama, maar wij weten wel dat uh, nou ja dat is niet áltijd zo.”

Ik heb weinig aan geloofsoverdracht gedaan, vrees ik, zeker voor een dominee. Mijn eigen jeugd was doordrenkt van geloofsopvoeding. Toen ik twaalf jaar was, was ik de Bijbelverhalen helemaal zat. We baden tijdens mijn lagere schooltijd voor en na iedere maaltijd, op school aan begin en eind van zowel de ochtend als de middag. Bij opstaan en slapen gaan en voor en na catechisatie of de meisjesvereniging. Soms kwam ik aan 14 keer bidden op een dag en zes maal Bijbellezen. Ik nam me voor het jullie niet aan te doen.

Boos op God

Janneke belandde zes weken na haar geboorte in het ziekenhuis en al snel werd duidelijk dat ze niet meer naar de kerk zou kunnen komen om gedoopt te worden. De predikant stelde voor haar een kinderzegen te geven in het ziekenhuis, maar ik hield vast aan de doop. Dat zij niet naar de gemeente kon komen was een praktisch probleem, dan moest de gemeente maar naar haar toe komen. Dat zij spoedig zou komen te overlijden was ook geen reden haar niet te dopen, dopen doe je niet alleen voor dit leven. Sterker nog, als de predikant geweigerd had haar te dopen, had ik jou ook niet laten dopen. Maar de belangrijkste reden om haar te laten dopen was dat ik boos was op God. Ik zou de kans niet krijgen God onder de aandacht te brengen van Janneke, nou dan zou ik Janneke wel onder zijn aandacht brengen.

Ik heb de sterren van de hemel gebeden dat ze beter zou worden. Al wist ik met mijn verstand dat het helemaal niet kon, alles in mij bad dat ze niet zou sterven; ook boos bleef ik erg vroom. Toen ze dood in mijn armen lag en we samen een piëta vormden, heb ik nog even gehoopt dat de deur open zou gaan en de Heer zou binnenkomen en zeggen: “ze is niet gestorven, ze slaapt.” En dat ik haar dan te eten mocht geven. (Lukas 8)

Ik was gepokt en gemazeld in de verhalen en in de psalmen en in de tijd dat ik sprakeloos was van verdriet dacht ik in psalmverzen.

Bij iemand die een stomme opmerking maakte maar het zo goed bedoelde, dacht ik: “en leugen werd wat men mij troostend zei. “ (Psalm 116)

Soms kwam er hulp en troost uit onverwachte hoek en dacht ik: “in ’t midden der woestijn ontspringt een heldere fontein.” (Psalm 84)

Geen antwoord

Lieve Martine, jij stelt de vraag naar God en het lijden, zoals velen vóór je hem hebben gesteld: als God Almachtig is, waarom laat hij een onschuldig kind dan zo lijden en zo jong sterven?

Als ik zó over God had gedacht, was ik geen predikant geworden. Voor zo’n God wil ik helemaal geen grondpersoneel zijn. Met dat Godsbeeld ben ik wel groot gekomen. Ik leerde op de catechisatie bij de Christelijke Gereformeerde dominee dat zonder de wil des Vaders er geen haar van ons hoofd kon vallen en dat alles wat ons overkwam niet bij geval maar uit zijn vaderlijke hand afkomstig was.

Op de vraag naar het waarom van Janneke’s dood komt geen antwoord. Maar voor mij was daarmee het verhaal van God en mensen niet uit. Als ik nu ‘God’ zeg, zeg ik liefde. Ik heb daarbij het volgende beeld voor ogen. Toen wij in de pastorie in Weerselo woonden en jullie negen en zes jaar oud waren, werden we op een nacht wakker van een enorme donderklap. Voor ik me goed en wel realiseerde wat het was, hoorde ik jullie voetjes over het zeil trippelen in de richting van mijn slaapkamer. Papa Heijmert was er niet en ik schoof naar het midden van het grote bed. Jij en je zusje Ariena kropen ieder aan een kant van mij het bed in en voor de volgende klap onweer kwam, sliepen jullie al weer verder. Ik lag nog wakker en verbaasde me over jullie vertrouwen. Zonder dat ik iets kon doen aan het grote onweer buiten voelden jullie je bij mij veilig genoeg om door het noodweer heen te slapen. Zo ongeveer heb ik dat ervaren in het grote verdriet rond het overlijden van Janneke. Het was meer dan vreselijk, maar laat dan in ieder geval God er zijn.

Ik zal er zijn

Jouw definitie van liefde is ‘er voor elkaar zijn’. Prachtig! Ik hoor daar onmiddellijk Gods Naam in. ‘Ik zal er zijn’, of: ‘Ik ben’. (We weten eigenlijk niet goed hoe we Zijn Naam moeten vertalen.) Hij is er voor mij en ik ben er ook steeds meer voor Hem.

Ik ben ervan overtuigd geraakt dat wij mensen naar Gods beeld geschapen zijn en dat in ieder mens iets van Hem kan oplichten. In niemand anders kan Hij Reintje Joke zijn dan in mij, in niemand anders Martine zijn dan in jou. En ik zag Hem in Janneke.

Ik weet me geroepen. Roeping is voor mij geen klus, roeping is voor mij ontwaken. Als iemand je roept als je ligt te slapen, dringt langzaam tot je door dat dit wel eens voor jou kon zijn. Tijd om op te staan. Zó voel ik me aangesproken door God om in de ruimte van mijn eigen leven te gaan staan met liefde als midden en iets van zijn liefde te laten doorschijnen.

In mijn visie zijn sommige mensen een ijzertje en andere van goud, maar de meeste mensen zijn van ijzer en van goud. En God is in dat beeld een grote magneet. Ik ben overwegend een ijzertje, ik voel me aangetrokken tot God. Jij en Bertus moeten er zelf maar achter komen of je vooral van ijzer of goud bent. Ik zou het jullie gunnen voor een flink deel ijzertjes te zijn en dat dit de ruimte mag krijgen in je leven, maar je bent me er geen haar minder of beter om.

Martine, ik hou van je en dat ik jullie Gods zegen mee mag geven over jullie liefde vind ik heel bijzonder!

Liefs, je moeder

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.